ECLI:NL:GHDHA:2026:147

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.324.715/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt stabiele constructie en wijst vordering grotendeels af

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of er sprake was van ondeugdelijk werk aan een aanbouw, met name over scheurvorming en de draagkracht van de constructie. Het hof heeft het deskundigenrapport van Kode Consult overgenomen, dat stelde dat de situatie stabiel en voldoende draagkrachtig is.

Appellant vorderde herstel of schadevergoeding wegens vermeende gebreken, maar het hof oordeelde dat er geen substantiële toename van scheurvorming was na april 2021 en dat de vordering grotendeels faalt. Het hof wees ook het aanbod van geïntimeerde om kosteloos herstel te verrichten af, omdat appellant koos voor schadevergoeding.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam slechts ten aanzien van de proceskosten en veroordeelde appellant in de kosten van eerste aanleg en hoger beroep. Het vonnis werd voor het overige bekrachtigd, waarbij de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van appellant komen.

Uitkomst: De vordering van appellant wordt grotendeels afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.324.715/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10582657 / HA ZA 19-887
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs, kantoorhoudend in Helmond,
tegen
[geïntimeerde], zaakdoende en handelend onder de naam ‘[naam] & Zn.’,
wonend in Hendrik-Ido-Ambacht,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.A.H. Wiekamp, kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

1.1
Bij tussenarrest van 7 januari 2025 heeft het hof de (door de rechtbank benoemde) deskundige Kode Consult verzocht in te gaan op de door (de partij-deskundige van) [appellant] aangevoerde bezwaren tegen de bevindingen van Kode Consult. Bij tussenarrest van 4 november 2025 heeft het hof de bevindingen van Kode Consult overgenomen. Op één punt – mogelijke nieuwe scheurvorming na april 2021 en de eventuele gevolgen daarvan – was het hof voornemens nader onderzoek te gelasten. Zowel [appellant] als [geïntimeerde] hebben te kennen gegeven daaraan geen behoefte te hebben.
1.2
Het hof komt in dit arrest tot een eindoordeel en wijst de vordering van [appellant] (principaal hoger beroep) af. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt deels: omdat de vordering van [appellant] wordt afgewezen, wordt [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Ook in eerste aanleg.

2.Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Voor het verloop van de procedure tot 4 november 2025 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest blijkt uit de volgende stukken:
  • de akte uitlaten van 2 december 2025 van [appellant] en
  • de akte uitlaten na arrest van 2 december 2025 van [geïntimeerde].

3.De verdere beoordeling in hoger beroep

3.1
[appellant] heeft bij voornoemde akte verzocht geen uitvoering te geven aan het voornemen van het hof zoals opgenomen in het tussenarrest van 4 november 2025 en ten aanzien van het thans nog openstaande punt ‘omvang van de scheurvorming’ te beslissen conform hetgeen daarover in eerste aanleg is geoordeeld en beslist (in randnummer 2.11 en 3.2 van het eindvonnis van 24 augustus 2022). [appellant] heeft het hof verzocht enkel nog een eindarrest te wijzen.
3.2
Ook [geïntimeerde] heeft, in zijn voornoemde akte het hof verzocht om een bevel tot een nader deskundigenbericht achterwege te laten. [geïntimeerde] merkt verder nog op dat ook de grieven onder nummers III en IV van zijn incidenteel appel nog ter beoordeling voorliggen.
3.3
Het hof overweegt als volgt. In zijn tussenarrest van 4 november 2025 heeft het hof het oordeel van de deskundige van Kode Consult op alle punten overgenomen. Uitsluitend ten aanzien van mogelijke scheurvorming na april 2021 (de datum van het eerste deskundigenrapport) heeft het hof in de stellingen van [appellant] aanleiding gezien tot nader onderzoek. Nu hiervan – op verzoek van partijen – van af wordt gezien, kan niet worden vastgesteld dat (sinds april 2021) sprake is van een substantiële toename van de scheurvorming die ertoe zou kunnen leiden dat het oordeel (van de deskundige) dat sprake is van een stabiele en voldoende draagkrachtige situatie moet worden herzien.
3.4
Het voorgaande brengt mee dat het hof ook ten aanzien van de scheurvorming uit moet gaan van de (ongewijzigde) bevindingen van Kode Consult inhoudend dat sprake is van een stabiele en voldoende draagkrachtige situatie. Daarmee faalt de grief van [appellant] en strandt zijn vordering grotendeels.
Herstelkosten (grief III incidenteel beroep)
3.5
Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank hem ten onrechte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.470,- aan [appellant] vanwege vervangende schadevergoeding. [geïntimeerde] was immers bereid om kosteloos scheuren te verhelpen door alsnog een dilatatievoeg aan te brengen. Dat aanbod is door [appellant] steeds afgewezen. Dan is het – aldus [geïntimeerde] – in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van het niet gewenste herstel.
3.6
Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft bij brief van 12 april 2019 (prod. 13 bij inleidende dagvaarding) zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot schadevergoeding. De juistheid van die omzetting is door [geïntimeerde] niet (gemotiveerd) bestreden. Eerst na ontvangst van de inleidende dagvaarding van [appellant] van 28 augustus 2019 heeft [geïntimeerde] bij brief van 10 september 2019 ‘uitsluitend en alleen om een procedure te voorkomen’ laten weten bereid te zijn om een dilatatievoeg aan te brengen (prod. 1 bij de MvG). [appellant] heeft daarvan afgezien. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de keuze van [appellant] voor vervangende schadevergoeding ‘in strijd is met de redelijkheid en billijkheid’. Uit de enkele omstandigheid dat [appellant] heeft gekozen voor vervangende schadevergoeding en het (late) aanbod van [geïntimeerde] van de hand heeft gewezen, volgt ook niet dat [appellant] – in de woorden van de [geïntimeerde] – ‘in feite ook niet een dilatatievoeg wenst’. Grief III in incidenteel beroep slaagt dus niet.
Proceskosten eerste aanleg (grief IV incidenteel beroep)
3.7
Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is, waardoor hij ([geïntimeerde]) in de proceskosten van [appellant] is worden veroordeeld.
3.8
Deze grief slaagt. [appellant] is van mening dat alleen algeheel herstel van de aanbouw, dus volledige sloop en het opnieuw bouwen daarvan, kan leiden tot een goede en deugdelijke aanbouw en heeft daar ook zijn vorderingen gebaseerd. Op grond van het deskundigenrapport van Kode Consult moet evenwel worden vastgesteld dat daarvan geen sprake is. Het herstel van de drie punten ten aanzien waarvan het werk van [geïntimeerde] niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet, is beperkt tot een bedrag van € 3.470,-. Dat brengt mee dat [appellant] (ook in eerste aanleg) grotendeels in het ongelijk is gesteld en dus dat [appellant] moet worden veroordeeld in de kosten in eerste aanleg.
3.9
Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 297,-
salaris advocaat € 2.252,- (4 punten tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.727,-
Conclusie en proceskosten
3.1
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt alleen ten aanzien van de proceskosten (in eerste aanleg). Daarom zal het hof het vonnis grotendeels bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. De kosten van het deskundigenbericht van Kode Consult (vastgesteld op € 4.719,- inclusief BTW) dienen ook voor rekening van [appellant] te komen. [geïntimeerde] zal, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
3.11
Het hof begroot de proceskosten (principaal hoger beroep) aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 4.515,- (3½ punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.047,-
3.12
Het hof begroot de proceskosten (incidenteel hoger beroep) aan de zijde van [appellant] op:
salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.479,-

4.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2022, doch slechts ten aanzien van de proceskostenveroordeling en
  • veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.727,- en
  • bepaalt dat de kosten van het deskundigenbericht van Kode Consult (ten bedrage van € 4.719,-) voor rekening van [appellant] komen;
  • bekrachtigt dat vonnis voor het overige;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.047,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.479,-;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordeling van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. R.G.C. Veneman, R.A. van der Pol en mr. E.H. Pijnacker Hordijk en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.