Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-één-kapwoning uit 1953, waarvan de WOZ-waarde voor 2022 door de Heffingsambtenaar is vastgesteld op €705.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
Het geschil betreft de vraag of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. De Heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en vergelijkingsobjecten. De rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat rekening was gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. Belanghebbende voerde aan dat bepaalde objectkenmerken onjuist waren beoordeeld en dat de waarde lager moest zijn.
Het Hof stelde vast dat het objectkenmerk 'kwaliteit/luxe' van de woning ten onrechte op gemiddeld was gesteld en corrigeerde dit naar ondergemiddeld. Ook werd het voorzieningenniveau van een vergelijkingsobject verhoogd naar bovengemiddeld. Hierdoor was de Heffingsambtenaar niet in staat aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende maakte zijn lagere waarde niet aannemelijk. Het Hof stelde de waarde in goede justitie vast op €692.000.
Daarnaast veroordeelde het Hof de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, vastgesteld op €2.733, en tot vergoeding van de betaalde griffierechten van €188. De uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar werden vernietigd en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd.