ECLI:NL:GHDHA:2025:861
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tariefmaatregel inkomstenbelasting en ongelijke behandeling bij pensioenverrekening na echtscheiding
Belanghebbende, gescheiden in 1992, bracht in zijn aangiften inkomstenbelasting voor 2020 en 2021 een bedrag van € 4.078 per jaar in aftrek als onderhoudsverplichting aan zijn ex-partner, gebaseerd op een pensioenverrekening volgens het Boon/Van Loon-arrest. De Inspecteur paste de tariefmaatregel van artikel 2.10, lid 2 en 3, Wet IB 2001 toe, waardoor de aftrek werd beperkt. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij belasting betaalt over inkomen dat feitelijk aan zijn ex-partner toebehoort en dat de tariefmaatregel een ongerechtvaardigd verschil maakt tussen gevallen onder het Boon/Van Loon-arrest en de Wet VPS. Het Hof bevestigde dat belanghebbende het pensioen fiscaal geniet, ook al betaalt hij het door aan zijn ex-partner, en dat de tariefmaatregel sinds 2020 geldt voor alle belastingplichtigen met persoonsgebonden aftrek.
Het Hof oordeelde dat de gevallen onder het Boon/Van Loon-arrest en de Wet VPS weliswaar verschillen, maar in het kader van het doel en voorwerp van de regeling als gelijk moeten worden beschouwd. De ongelijke behandeling door de tariefmaatregel ontbeert een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Daarom wordt de tariefmaatregel buiten toepassing gelaten voor de belanghebbende, met aanpassing van de aanslagen en belastingrente. Tevens wordt de Inspecteur veroordeeld in proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De tariefmaatregel wordt buiten toepassing gelaten voor de belanghebbende, met vermindering van de aanslagen en aanpassing van de belastingrente.