ECLI:NL:GHDHA:2025:766
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep overdrachtsbelasting: toepassing verlaagd tarief bij hoofdverblijf woning
Belanghebbende kocht twee woningen: woning I op 21 juni 2021 en woning II op 1 oktober 2021. Woning II moest worden verbouwd, waardoor belanghebbende en zijn echtgenote tijdelijk in woning I verbleven van 7 januari tot 12 augustus 2022. De Inspecteur wees het verzoek om toepassing van het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van 2% af, stellende dat bij verkrijging van woning I de intentie ontbrak om deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan het intentievereiste van artikel 14, lid 2, Wbr, omdat de koop van woning II al was gesloten bij de verkrijging van woning I. Belanghebbende stelde echter dat hij de woning meer dan zes maanden als hoofdverblijf heeft gebruikt en dat aan die intentie feitelijk gevolg is gegeven.
Het Hof benadrukt dat overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is en dat toetsing van het verlaagde tarief plaatsvindt op het moment van verkrijging. Het Hof stelt dat de zes maanden termijn ook geldt voor de intentie bij verkrijging. Gezien het feit dat belanghebbende woning I meer dan zes maanden als hoofdverblijf heeft gebruikt en er geen sprake is van misbruik, oordeelt het Hof dat aan het hoofdverblijfcriterium is voldaan. Het verlaagde tarief is derhalve van toepassing en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van 2% van toepassing is omdat aan het hoofdverblijfcriterium is voldaan.