AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep tegen medegedaagde wegens ontbrekende ondeelbare rechtsverhouding
In deze civiele procedure vordert GewoonDoen hoger beroep tegen de afwijzing van vorderingen tegen Medtrading door de rechtbank. Medtrading vordert in een incident dat GewoonDoen niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep voor zover dat tegen haar is gericht, omdat zij geen processuele wederpartij is in de vorige instantie en er geen ondeelbare rechtsverhouding bestaat.
Het hof overweegt dat hoewel GewoonDoen en Medtrading beide gedaagden waren in eerste aanleg, dit niet betekent dat er sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. GewoonDoen kan ook zonder Medtrading in het hoger beroep het verweer voeren dat Medtrading de contractuele wederpartij is van de franchisenemer. Het belang van GewoonDoen dat Medtrading in het hoger beroep betrokken wordt, rechtvaardigt geen afwijking van de hoofdregel.
Ook het verzoek van de franchisenemer om Medtrading op grond van artikel 118 RvPro alsnog te betrekken wordt afgewezen, omdat dit de regels omtrent partijen in hoger beroep zou ondermijnen. Het hof verklaart GewoonDoen niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen Medtrading is ingesteld en veroordeelt haar tot vergoeding van de proceskosten van Medtrading, begroot op €7.953. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: GewoonDoen wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen Medtrading en veroordeeld tot proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.342.610/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/617174 / HA 21-786
Arrest in incident van 18 maart 2025
in de zaak van
GewoonDoen B.V.,
gevestigd in Almere,
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in incident,
advocaat: mr. W.F. Wienen, kantoorhoudend in Almere,
tegen
1.[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
advocaat: mr. G.A.M.F. Spera, kantoorhoudend in Maastricht-Airport,
2.Medtrading Installaties en Onderhoud B.V.,
gevestigd in Gameren,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in incident,
advocaat: mr. D.R. Trip, kantoorhoudend in Nijmegen.
Het hof noemt partijen hierna GewoonDoen, [geïntimeerde] en Medtrading.
1.Procesverloop in hoger beroep
1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 5 juni 2024, waarin GewoonDoen Medtrading en [geïntimeerde] heeft gedagvaard en hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2024 (verbeterd op 3 april 2024);
het arrest van dit hof van 9 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 september 2024;
de memorie van grieven van GewoonDoen;
de incidentele memorie strekkende tot niet-ontvankelijkheid van Medtrading;
de antwoordconclusie incident van GewoonDoen;
de akte uitlaten in incident van [geïntimeerde].
Daarnaast is er gecorrespondeerd tussen (de advocaat van) [geïntimeerde] en het hof over het verloop van de mondelinge behandeling na aanbrengen en het daarvan opgemaakte proces-verbaal.
2.Aanleiding voor dit incident
2.1
[geïntimeerde] was een franchisenemer van de Burgerme-franchiseformule. Hij is bij het vinden van een pand (hierna: het pand) en geschikt maken daarvan voor gebruik als hamburgerrestaurant geadviseerd door (onder meer) GewoonDoen. Medtrading heeft de afzuig- en ontgeuringsinstallatie voor het pand geleverd. [geïntimeerde] heeft zijn hamburgerrestaurant ruim een jaar na opening moeten sluiten in verband met geuroverlast die het gevolg was van het bakken van onder meer hamburgers.
2.2
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tegen Burgerme (franchisegever), GewoonDoen, een tweede adviseur ([adviseur]) en Medtrading (hierna: de procedure in eerste aanleg). Volgens [geïntimeerde] waren deze partijen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de gedwongen sluiting van zijn restaurant.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen tegen Medtrading en [adviseur] afgewezen en de vorderingen tegen GewoonDoen en Burgerme (deels) toegewezen. De vordering van [geïntimeerde] tegen Medtrading is afgewezen omdat volgens de rechtbank GewoonDoen, en niet [geïntimeerde], de contractuele wederpartij van Medtrading was en Medtrading niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde].
2.4
GewoonDoen heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en daartoe Medtrading en [geïntimeerde] gedagvaard. [geïntimeerde] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van de vorderingen tegen Medtrading en [adviseur]. Burgerme heeft in een aparte procedure hoger beroep ingesteld. Deze procedure wordt gevoegd behandeld met de onderhavige, maar speelt bij de beoordeling van dit incident geen rol.
3.Vordering in incident
3.1
In dit incident vordert Medtrading dat GewoonDoen niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep voor zover dat tegen haar is gericht, met veroordeling van GewoonDoen in de proceskosten. Medtrading en GewoonDoen waren immers in de procedure in eerste aanleg beide gedaagden.
3.2
GewoonDoen stelt zich op het standpunt dat er voor haar geen andere mogelijkheid is om Medtrading in het hoger beroep te betrekken, terwijl zij wel belang heeft bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van Medtrading voor de door [geïntimeerde] geleden schade. Ook [geïntimeerde] heeft een conclusie in het incident genomen en gesteld dat hij belang heeft bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van Medtrading voor de door hem geleden schade. Als GewoonDoen niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar beroep tegen Medtrading moet Medtrading volgens hem op de voet van artikel 118 RvPro in de procedure worden betrokken.
4.Beoordeling van de vordering in incident
Algemene regels voor het instellen van een rechtsmiddel
4.1
Uit artikel 332 RvPro volgt dat een rechtsmiddel in beginsel alleen kan worden ingesteld tegen een processuele wederpartij in de vorige instantie. [1] Op die regel wordt een uitzondering aangenomen als er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Daarvan is sprake als het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over een rechtsverhouding in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen.
4.2
Medtrading en GewoonDoen waren in de procedure in eerste aanleg beide gedaagde, zodat GewoonDoen in beginsel niet-ontvankelijk is in het hoger beroep tegen Medtrading. Volgens GewoonDoen is er echter sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen haar en Medtrading omdat hun rechtsposities onderling verweven zijn.
4.3
Het hof verwerpt die stelling. Het hof begrijpt dat het voor GewoonDoen wenselijk is dat de beslissing over de vraag wie de contractuele wederpartij van [geïntimeerde] was (GewoonDoen of Medtrading) ten aanzien van alle betrokken partijen hetzelfde luidt. Dat maakt echter nog niet dat dit noodzakelijk is. Ook zonder dat Medtrading in de procedure in hoger beroep is betrokken kan GewoonDoen immers ten opzichte van [geïntimeerde] het verweer voeren dat niet zij, maar Medtrading de contractuele wederpartij van [geïntimeerde] is. Er is dus geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. De stelling van GewoonDoen dat zij er ook in dat geval belang bij heeft dat Medtrading in het hoger beroep wordt betrokken zodat kan worden beoordeeld of Medtrading hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde], kan er bij die stand van zaken evenmin toe leiden dat het hoger beroep van GewoonDoen tegen Medtrading ontvankelijk is.
4.4
Het hof komt daarom tot de conclusie dat GewoonDoen niet-ontvankelijk is in het hoger beroep voor zover zij dat tegen Medtrading heeft ingesteld. Het hof merkt daarbij ten slotte nog op dat onjuist is de stelling van GewoonDoen in nummer 4.4 van haar memorie van grieven, dat de niet-ontvankelijkheid van haar hoger beroep tegen Medtrading niet meer relevant zou zijn als [geïntimeerde] incidenteel appel tegen Medtrading zou instellen. Aangezien Medtrading (gelet op de niet-ontvankelijkheid van het beroep van GewoonDoen tegen haar) geen partij is in het hoger beroep en het instellen van incidenteel appel tegen een mede-geïntimeerde ook afgezien daarvan niet mogelijk is, kan [geïntimeerde] geen incidenteel appel tegen Medtrading instellen.
Kan Medtrading op de voet van artikel 118 RvPro in de procedure worden betrokken?
4.5
[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat Medtrading op de voet van artikel 118 RvPro in het hoger beroep moet worden betrokken, aangezien zowel [geïntimeerde] als GewoonDoen er belang bij hebben dat het hof zich kan uitspreken over de rechtspositie van Medtrading. Hoewel [geïntimeerde] geen partij is in dit incident overweegt het hof daarover ten overvloede het volgende.
4.6
Het hof is van oordeel dat het feit dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding meebrengt dat het niet mogelijk is om Medtrading alsnog, op de voet van artikel 118 RvPro in het hoger beroep te betrekken. Een ander oordeel zou immers ertoe leiden dat de regels over de vraag tegen welke partijen hoger beroep kan worden ingesteld en binnen welke termijn eenvoudig zouden kunnen worden omzeild en hun betekenis grotendeels zouden verliezen. Aangezien deze regels van openbare orde zijn en daaraan ook met het oog op de rechtszekerheid strikt de hand moet worden gehouden, kan die consequentie niet worden aanvaard.
Conclusie en proceskosten
4.7
Het hof zal GewoonDoen niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover dat gericht is tegen Medtrading en GewoonDoen als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van Medtrading in dit incident en van het door Medtrading in de hoofdzaak betaalde griffierecht.
4.8
Die kosten worden gezamenlijk begroot op:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 1.214,- (1 punt tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.953,-
5.Beslissing
Het hof:
in het incident
verklaart GewoonDoen niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat gericht is tegen Medtrading;
veroordeelt GewoonDoen tot vergoeding van de proceskosten van Medtrading in dit incident en van het door Medtrading in de hoofdzaak betaalde griffierecht, welke kosten aan de zijde van Medtrading gezamenlijk worden begroot op € 7.953,-
- bepaalt dat binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan deze kostenveroordeling moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2025 voor memorie van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, A.A. Muilwijk-Schaaij en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.