Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[naam onderneming] ,
[appellant 2],
1.Het verdere procesverloop van in hoger beroep
b. [appellant 1] drijft een administratiekantoor onder de naam [naam onderneming] (verder ook: het Administratiekantoor). In een uittreksel d.d. 22 mei 2023 betreffende [naam onderneming] ( [nummer 1] ) is vermeld: rechtsvorm: Vennootschap onder Firma, datum oprichting: 01-09-1990, datum ontbinding 01-01-2018, vennoten: [appellant 1] en [appellant 2] , beiden onbeperkt bevoegd. Bovenaan het uittreksel is vermeld:
‘Op 05-06-2018 is geregistreerd dat de onderneming met ingang van 01-01-2018 is voortgezet door [naam onderneming] , ingeschreven onder KvK-nummer [nummer 2] ’
c. [appellant 1] was sinds 1993 verbonden aan Nevaro. Hij trad aanvankelijk op als
- dat in de periode 2011 tot en met 2015 het totaal van de betalingen per saldo € 1.081.476,= heeft belopen;
- dat over die periode voor een bedrag van € 418.211,= aan facturen is gezonden (toev. hof: bij bijtelling van het later nog verstrekte factuurbedrag voor het resterende deel van 2015: € 557.634,10). Het factuurbedrag betreft naast facturen aan Nevaro mede facturen aan [bedrijf 5] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 2] (aan Nevaro verwante vennootschappen waarvoor door [appellant 1] ook werkzaamheden zijn verricht).
grief 3voert [appellant 1] aan dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft toegekend aan de inhoud van het BDO rapport. [appellant 1] stelt dat dit een in opdracht van Nevaro opgemaakt rapport is, dat niet als een onafhankelijk rapport mag worden beschouwd en waaraan geen waarde mag worden toegekend, althans niet zonder hem in de gelegenheid te stellen dit met een eigen deskundigenonderzoek te weerleggen.
Grief 4is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (r.o. 4.5 vs 29 april 2020) dat [appellant 1] niet heeft voldaan aan de ingevolge art. 21 Rv Pro op hem rustende verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en tegen de door de rechtbank daaraan verbonden consequenties. [appellant 1] maakt verder bezwaar tegen het gewicht dat de rechtbank heeft toegekend aan het feit dat hij niet aan het onderzoek van BDO heeft meegewerkt. Met
grief 5komt [appellant 1] op tegen de verwerping door de rechtbank van zijn betoog dat bij de beoordeling van de vorderingen van Nevaro moet worden betrokken dat hij in de jaren 2016 tot en met 2018 minder betaald heeft gekregen dan waarop hij aanspraak kon maken (r.o. 4.6 en 4.7 vs 29 april 2020).
per saldoaan [appellant 1] betaalde bedragen - op basis van de administratieve gegevens over de boekjaren 2011 tot en met 2015 niet deugdelijk zou kunnen worden geacht. Het feit dat de vergelijking is beperkt tot de jaren 2011 tot en met 2015, is daarvoor onvoldoende nu uit de door [appellant 1] over de latere boekjaren verstrekte gegevens en de reactie van Nevaro daarop niet blijkt dat in die latere jaren van eenzelfde praktijk - dat betalingen zijn verricht die niet zijn terug te voeren op specifieke facturen - nog sprake is geweest. Uit het door Nevaro als productie 63 overgelegde overzicht blijkt dat in 2016 en 2017 gedane betalingen wel aan specifieke facturen zijn te relateren. Voor wat betreft de jaren vóór 2011 heeft [appellant 1] heeft evenmin onderbouwd waarom deze voor de berekening van het verschil van belang zouden kunnen zijn. Bovendien heeft hij aangegeven dat hij zelf alleen nog over gegevens (betreffende btw aangiftes) vanaf 2012 beschikt (comparitie en akte d.d. 15 januari 2020).
- over 2016 een bedrag van € 127.086,= is gefactureerd, waarvan € 16.662,= is voldaan;
- over 2017 een bedrag van € 135.157,= is gefactureerd waarvan € 11.979,= is voldaan;
- over 2018 een bedrag van € 78.045,= is gefactureerd waarvan € 6.897,= is voldaan.
[appellant 1] heeft hiervoor verwezen naar facturen van deze jaren (producties 26, 27 en 28) die gericht zijn aan [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 3] B.V., Nevaro en [bedrijf 5] . B.V. ( [bedrijf 5] ). Uit de handgeschreven overzichten bij die producties begrijpt het hof dat de aan Nevaro gerichte facturen zijn voldaan en dat de niet betaalde facturen de andere vennootschappen betreffen. Het hof begrijpt het standpunt van [appellant 1] aldus, dat het verschil tussen de gefactureerde bedragen en de betaalde bedragen moet worden verrekend met de door hem – naar hij heeft erkend – in de jaren 2011 tot en met 2015 teveel aan zichzelf uitbetaalde bedragen.
allebetalingen vanuit Nevaro werden gedaan, is door Nevaro gemotiveerd betwist. Bij memorie van grieven is [appellant 1] uitgebreid ingegaan op door de curator in het faillissement van [bedrijf 5] aan hem gevraagde informatie in verband met een onderzoek van de curator naar mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid en op het feit dat hij op instructie van [naam 1] tegenover de curator lange tijd ‘verstoppertje’ heeft gespeeld maar uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven. Voor zover de aan [bedrijf 5] gerichte facturen op die betrokkenheid van [appellant 1] in het faillissement van [bedrijf 5] mochten zien – in de facturen worden geen werkzaamheden gespecificeerd –, levert het betoog van [appellant 1] nog geen toereikende grond voor een betalingsverplichting van Nevaro voor de aan HMCJ gerichte facturen.
De grieven 4 en 5 kunnen geen doel treffen. Bij verdere bespreking van die grieven heeft [appellant 1] geen belang.
Grief 6is gericht tegen rechtsoverweging 2.2 van het eindvonnis van 1 december 2021 ( [appellant 1] noemt in de grief abusievelijk de datum van het tussenvonnis van 15 juli 2021), waarin de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 196 lid 2 Rv Pro aan het feit dat [appellant 1] het voorschot voor de deskundige niet heeft voldaan, als gevolg verbindt dat het gevorderde ook jegens (de erfgenamen van) [appellant 2] toewijsbaar is, op de primaire grondslag van paulianeus handelen.