Belanghebbende is eigenaar van een galerijflat met een gebruiksoppervlakte van 88 m2 en een berging van 15 m2, bouwjaar 1968. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op €182.000 voor het belastingjaar 2021. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde maar de heffingsambtenaar en de Staat veroordeelde tot beperkte schade- en proceskostenvergoedingen.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de toezendplicht van stukken in bezwaar was geschonden, de waarde te hoog was vastgesteld en het gelijkheidsbeginsel was overtreden doordat huurwoningen in het complex een lagere WOZ-waarde kregen dan koopwoningen. De heffingsambtenaar verwees naar een taxatierapport met vergelijkingsobjecten in hetzelfde flatgebouw, waarbij de waarde niet te hoog werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn toezendverplichting had voldaan, dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend waren en dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden omdat de lagere waardering van huurwoningen werd verklaard door mindere voorzieningen. Het hof bevestigde deze beoordeling en stelde vast dat belanghebbende geen nieuwe feiten of argumenten had ingebracht die tot een andere conclusie konden leiden.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend voor de hogerberoepsfase.