Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:2567

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
200.344.793/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 1 BWArt. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnissen en medewerkingsverplichting bij verkoop voormalige echtelijke woning

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk eigenaar van een voormalige echtelijke woning die verkocht moet worden in het kader van de verdeling. De woning staat al geruime tijd te koop, maar is nog niet verkocht vanwege onenigheid over de vraagprijs, makelaar en medewerking van de man.

De voorzieningenrechter heeft de man reeds veroordeeld om redelijke adviezen van de makelaar op te volgen, mee te werken aan bezichtigingen en tijdige ontruiming na verkoop. Tevens is de vrouw gemachtigd om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop. De man is tegen deze uitspraken in hoger beroep gekomen.

Het hof oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en dat de man een onwillige houding aanneemt die de verkoop vertraagt. De adviezen van de makelaar, waaronder verlaging van de vraagprijs, zijn redelijk. Het hof bekrachtigt de vonnissen van de voorzieningenrechter en wijst het hoger beroep van de man af. De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen die de man verplichten mee te werken aan de verkoop van de woning en wijst zijn hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.344.793/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/682220 / KG ZA 24-676
Arrest in kort geding van 9 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats 1] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. F.C. Frederiks, kantoorhoudend in Zwijndrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D. Abotay, kantoorhoudend in Schiedam.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak draait om de verkoop van de gemeenschappelijke, voormalig echtelijke woning van partijen, meer in het bijzonder over de vraagprijs en de verkoopmakelaar. Bij een eerder vonnis is de man onder meer veroordeeld om redelijke adviezen van de makelaar ter bespoediging van de verkoop van de woning op te volgen. De woning staat inmiddels al geruime tijd te koop en is nog niet verkocht. De voorzieningenrechter heeft, kort samengevat, geoordeeld dat de adviezen van de makelaar redelijk zijn. De man is vervolgens veroordeeld om mee te werken aan bezichtigingen en tijdige ontruiming na verkoop. De voorzieningenrechter heeft de vrouw gemachtigd om alles te doen wat noodzakelijk is voor deze verkoop en wat daarmee samenhangt.
1.2
Het hof is het hiermee eens.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 6 augustus 2024 met daarin de grieven, met bijlagen. De man is hiermee in hoger beroep is gekomen van de mondelinge uitspraak van 12 juli 2024 en het vonnis van 26 juli 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam;
  • de processen-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 september 2024, de voortzetting daarvan op 14 november 2024 en 15 juli 2025, met de daarin genoemde stukken;
  • de memorie van antwoord van de vrouw van 15 juli 2025 tevens incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
  • het antwoord van de man in het incidenteel hoger beroep, zoals geformuleerd in zijn pleitnotities van 15 juli 2025.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De door de voorzieningenrechter genoemde feiten zijn niet in geschil. Daarom gaat ook het hof hiervan uit. Kort samengevat is het volgende in deze kort geding procedure aannemelijk geworden.
3.2
Partijen zijn in 1997 met elkaar getrouwd en zijn inmiddels gescheiden (beschikking rechtbank Rotterdam van 9 december 2021, bekrachtigd door het hof Den Haag op 15 februari 2023). De rechter heeft toen tevens bepaald dat de voormalig echtelijke woning – partijen zijn ieder voor de helft eigenaar ervan – , gelegen aan de [adres] in [woonplaats 1] (hierna de woning) in het kader van de verdeling moet worden verkocht.
3.3
Partijen hebben twee zonen, respectievelijk geboren in [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] . Tot dusver bewoont de man de woning met de jongste zoon van partijen. De vrouw woont bij haar ouders.
3.4
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 6 juli 2023 is de man veroordeeld om redelijke adviezen van de makelaar ter bespoediging van de verkoop van de woning op te volgen.
3.5
In oktober 2023 is de woning te koop gezet. Deze is nog niet verkocht.
3.6
Partijen verschillen van mening over de wijze van verkoop van de woning, meer in het bijzonder de hoogte van de vraagprijs, de keuze van de makelaar en de medewerking van de man daarbij.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
De vrouwheeft de man gedagvaard en, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:
I. de vrouw te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning;
II. te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijk toestemming en/of wilsverklaring van de man voor het in verkoop geven van deze woning;
III. de man te veroordelen mee te werken aan alle bezichtigingen van de makelaar en op eerste verzoek de vrouw en of de makelaar de sleutels van de woning uiterlijk een uur voor bezichtiging aan haar/hem ter hand te stellen en zowel de vrouw, de makelaar en kandidaten tijdig en volledig tot de woning toe te laten, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat de man in gebreke blijft te voldoen aan het te wijzen vonnis;
IV. te bepalen dat het vonnis, twee dagen na betekening in de plaats zal treden van de door de man te verrichten noodzakelijke formaliteiten en te verlenen toestemming en/of wilsverklaring voor de verkoop van de woning voor een vraag- cq. verkoopprijs zoals hiervoor gevraagd, zijnde onder meer het sluiten van een onderhandse verkoopovereenkomst, notariële levering respectievelijk voor de te verlijden notariële akte, een en ander op de voet van artikel 3:300 lid 1 en Pro 2 BW;
V. de man te veroordelen om mee te werken aan de door de kopers gewenste leveringsdatum en uiterlijk twee dagen voor overdracht aan een derde(n) de woning ontruimd, schoon, in goede staat en tijdig voor notarieel transport op te leveren op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat de man in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
VI. de man te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris advocaat en het griffierecht daaronder begrepen.
4.2
In reconventie heeft
de man, voor zover een spoedeisend belang wordt aangenomen, gevorderd om de vrouw te gelasten haar medewerking te geven aan het stellen van de vraagprijs van de woning op het oorspronkelijk gehanteerde bedrag van € 1.025.000,- en de afgesproken termijn voor de notariële overdracht van de woning van een halfjaar, een en ander op straffe van verbeurte van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom voor zover de vrouw hieraan niet haar medewerking geeft binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
4.3
De voorzieningenrechterheeft het spoedeisend belang aangenomen en bij mondelinge uitspraak van 12 juli 2024 vordering III van de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, toegewezen, met dien verstande dat daarbij de dwangsom is gesteld op € 2.500,- per keer dat de man in gebreke blijft daaraan te voldoen.
De voorzieningenrechter heeft toen de reconventionele vordering van de man afgewezen en de proceskosten in reconventie gecompenseerd. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat de man op grond van het vonnis van 6 juli 2023 verplicht is om redelijke adviezen van de makelaar op te volgen en dat de verlaging van de vraagprijs van € 1.025.000,- naar € 975.000,- naar voorlopig oordeel een redelijk advies is.
4.4
De voorzieningenrechterheeft bij vonnis van 26 juli 2024 geoordeeld over de overige vorderingen van de vrouw. Vordering II is bij gebrek aan belang afgewezen omdat hierover al was beslist bij vonnis van 6 juli 2023. De vorderingen I, IV en V zijn door de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, toegewezen, en wel als volgt:
I) machtigt de vrouw om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning;
IV) bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening en/of instemmende wilsverklaring van de man ten behoeve van de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte in de zin van artikel 3:300 lid 1 BW Pro, indien de man niet binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis meewerkt aan het sluiten van de koopovereenkomst en/of het verlijden van de notariële leveringsakte:
V) veroordeelt de man om mee te werken aan de door de koper(s) gewenste leveringsdatum en uiterlijk twee dagen vóór overdracht aan een derde(n) de woning ontruimd, schoon, in goede staat en tijdig voor notarieel transport op te leveren, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, een en ander tot een maximum van 50.000,- .
De voorzieningenrechter heeft daarbij de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De man concludeert (in het principaal hoger beroep) tot vernietiging van voormelde uitspraken en vordert alsnog afwijzing van de vorderingen van de vrouw en toewijzing van die van de man, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.
5.2
De vrouw concludeert in het principaal hoger beroep tot afwijzing van de verzoeken van de man en in incidenteel hoger beroep tot bekrachtiging van de uitspraken van de voorzieningenrechter met veroordeling van de man in de werkelijke kosten van de procedure.

6.Beoordeling in hoger beroep

In het principaal hoger beroep

6.1
De eerste en vierde grief (en de laatste grief deels) van de man gaan over de aangenomen spoedeisendheid van de zaak.
6.2
De overige grieven bevatten in de kern klachten over de veroordeling van de man om behoorlijk mee te werken aan de verkoop van de woning en daarbij te accepteren dat de vraagprijs conform het advies van de makelaar wordt verlaagd van € 1.025.000 naar € 975.000,-, met machtiging aan de vrouw daartoe het nodige te verrichten.
6.3
Volgens de man is verlaging van de vraagprijs geen redelijk advies van de makelaar, met name gelet op de jaarlijks stijgende prijzen en de verkoopprijzen voor gelijksoortige woningen in de omgeving. Ook is het onredelijk om het verkoopproces helemaal in handen van de vrouw te leggen en heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat de man een onwillige houding aanneemt bij de verkoop. Hij is wel degelijk bereid zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop, maar blijft wel kritisch op het verkoopproces. Hij wil wel een redelijke opbrengst voor de woning ontvangen.
6.4
Het hof oordeelt als volgt.
Grief 1 en 4
6.5
Het hof acht, evenals de voorzieningenrechter, het spoedeisend belang aanwezig. De woning betreft een gemeenschappelijk goed, waartoe de vrouw voor helft gerechtigd is. Niemand hoeft in een onverdeelde boedel te blijven. De rechter heeft al jaren geleden bepaald dat de woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht. Dit is tot nog toe niet gelukt. In dit kort geding is aannemelijk geworden dat de (feitelijk afwijzende) houding van de man daar mee te maken heeft. Daarom heeft de vrouw een spoedeisend belang bij haar vorderingen, die als strekking hebben dat deze houding moet worden doorbroken. Het hof verwerpt grief 1 en 4.
De overige grieven
6.6
Het hof verwerpt ook deze grieven. Het hof stelt vast dat de woning inmiddels ruim twee jaar te koop staat en ondanks herhaalde interventies van onder meer de voorzieningenrechter en het hof (bij de mondelinge behandelingen waarbij de man twee keer de kans heeft gekregen de woning tegen een volgens de man redelijke prijs en via een makelaar van zijn keuze te verkopen) nog steeds niet is verkocht. Ook stelt het hof vast dat de man tot dusver een dusdanig wantrouwende houding jegens de vrouw en de makelaar in het verkoopproces aanneemt, dat hieruit wel degelijk valt af te leiden dat de man het verkoopproces in de wielen rijdt/traineert. Het hof benoemt dit evenals de voorzieningenrechter als een onwillige, althans onvoldoende meewerkende, houding van de man. De beslissingen van de voorzieningenrechter zijn daarom alleszins gerechtvaardigd. Hetgeen de man hiertegenover heeft gesteld is ontoereikend om hierover anders te oordelen.
6.7
Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten te veroordelen en zal, zoals gebruikelijk bij ex-echtelieden, (nu nog) de proceskosten compenseren.
In het incidenteel hoger beroep
6.8
Het hof ziet evenmin reden om de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de vrouw, dit nog los van het feit dat niet is onderbouwd om welke kosten het concreet gaat. Ook hier zal het hof de proceskosten compenseren.
Conclusie en proceskosten
6.9
De conclusie is dat het hoger beroep van de man niet slaagt, terwijl de in hoger beroep vermeerderde vordering van de vrouw (betreffende de werkelijke proceskosten) zal worden afgewezen. Het hof zal de proceskosten bij deze voormalige echtelieden compenseren.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de uitspraken van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2024 en 26 juli 2024;
  • wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
  • bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt, zowel in het principaal als incidenteel hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.E.H.M. Pinckaers en R.F. Groos en getekend en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.