ECLI:NL:GHDHA:2025:2356

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.332.411/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten en onrechtmatige advisering door tussenpersoon

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Den Haag is behandeld, gaat het om een hoger beroep van Dexia Nederland B.V. tegen een uitspraak van de kantonrechter in Den Haag. De zaak betreft effectenleaseovereenkomsten die zijn afgesloten tussen Dexia en de overleden contractanten, waarbij de wettelijk erfgenaam, [geïntimeerde], de belangen van de contractanten vertegenwoordigt. De kern van het geschil draait om de vraag of de tussenpersoon die de contractanten adviseerde over de effectenleaseovereenkomsten, beschikte over de vereiste vergunning om dit advies te geven. Dexia stelt dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en dat er geen verdere schadevergoeding aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de tussenpersoon zonder vergunning advies te laten geven, en heeft Dexia veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Dexia de grieven aangevoerd, maar het hof heeft de eerdere uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelt dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf, en dat de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] is gestuit. Dexia is veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en moet de wettelijke rente over deze kosten betalen. De uitspraak is gedaan op 11 november 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.332.411/01
Zaaknummer rechtbank: : 9597658 EL 21-25
Arrest van 11 november 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde], in zijn hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [contractant 1] en [contractant 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 1 juni 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en wijlen [contractant 1] en wijlen [contractant 2] (hierna gezamenlijk: Contractanten) via een tussenpersoon ( [tussenpersoon] ). Hun zoon, [geïntimeerde] , is hun wettelijk erfgenaam. Aan de orde is de vraag of Contractanten zijn geadviseerd door de tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon bij de totstandkoming van de overeenkomsten waarbij zij betrokken was, beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade aan [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft, samengevat, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] , na betaling van een bedrag van € 9.316,96, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Ook heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als weergegeven onder 4.19. van het bestreden vonnis. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in paragraaf 2 (De feiten). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vordering.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot – zakelijk weergegeven – bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Verjaring
4.4.
Het beroep van Dexia op verjaring van de (eventuele) vordering van [geïntimeerde] gaat niet op. Dexia heeft niet betwist dat zij van de Contractanten stuitingsbrieven heeft ontvangen, waarin onder meer een beroep is gedaan op onrechtmatige daad. Een voorbeeld hiervan is de als productie 7 bij conclusie van repliek door Dexia overgelegde stuitingsbrief. De rechtsvordering van [geïntimeerde] verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop de Contractanten daadwerkelijk bekend zijn geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. [1]
4.5.
Het moet Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat Contractanten (of [geïntimeerde] ) de vordering alsnog geldend zouden maken. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering zij zich in dat geval zou moeten verweren. Het feit dat [geïntimeerde] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR 1999), betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat een stuitingsbrief expliciet vermeldt dat het onrechtmatig handelen van Dexia specifiek zag op de schending van artikel 41 NR 1999.
4.6.
De conclusie is dat de verjaring van de eventuele rechtsvordering van [geïntimeerde] is gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.
Juridisch kader
4.7.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met Contractanten (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan Contractanten is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met Contractanten [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder a) en b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [2]
Advisering
4.8.
Er is sprake van niet-toegestane advisering indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat een tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [3]
4.9.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder “Advisering door de tussenpersoon” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg, en ook in de conclusie van dupliek. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. Contractanten hadden al een adviesrelatie met een bij naam genoemde adviseur van [tussenpersoon] die enige tijd de verzekeringen van Contractanten verzorgde. Contractanten hebben contact opgenomen met de medewerker om een autoverzekering af te sluiten. Bij het daaropvolgende persoonlijke gesprek – waarbij [geïntimeerde] eveneens aanwezig was – is er gesproken over deze autoverzekering en gaf de medewerker aan dat hij een interessant product van Dexia had waarmee in korte tijd veel vermogen mee kon worden opgebouwd. Contractanten hebben hun financiële positie en hun doelstellingen kenbaar gemaakt aan de medewerker. Hierbij is besproken dat Contractanten veel meer rendement met hun spaargeld konden halen dan als zij dit geld op hun spaarrekening zouden laten staan. Naar aanleiding hiervan heeft de adviseur geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia in tweevoud af te nemen, waarbij de leasesom uit het spaargeld van de Contractanten in één keer werd betaald. Ongeveer anderhalf jaar later heeft de medewerker van [tussenpersoon] contact opgenomen met Contractanten om een adviesgesprek in te plannen. Tijdens dit gesprek – waarbij [geïntimeerde] ook aanwezig was – is besproken dat het goed ging met de afgesloten producten, en heeft de medewerker Contractanten geadviseerd om deze overeenkomsten te beëindigen en vier nieuwe effectenleaseovereenkomsten af te sluiten. De medewerker stelde dat Contractanten zo nog meer vermogen konden opbouwen. De medewerker van [tussenpersoon] heeft de geadviseerde effectenleaseproducten geadviseerd naar aanleiding van de door Contractanten aan hem kenbaar gemaakte financiële positie en doelstellingen, aldus [geïntimeerde] . Zij hebben ook op het advies van de medewerker van de tussenpersoon vertrouwd en hebben dit advies steeds opgevolgd, aldus [geïntimeerde] .
4.10.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen Contractanten en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan Contractanten betrokken is geweest. Deze omstandigheid brengt volgens Dexia mee, dat van haar niet kan worden gevergd de betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] nader te motiveren. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat niet is vastgesteld dat de tussenpersoon een vaste werkwijze hanteerde die is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor Contractanten heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van Contractanten.
4.11.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen te controleren wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersonen was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersonen. Als dat het geval was, zou Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer hebben moeten weigeren. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.12.
De door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersonen bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, moet in het licht van de prejudiciële beslissing worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon met Contractanten hun financiële situatie en doelstelling heeft besproken, (ii) Contractanten hun financiële doelen aan de tussenpersoon bekend hebben gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten heeft voorgesteld als geschikt voor Contractanten, en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken, zoals beschreven door [geïntimeerde] , bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.13.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de herinneringen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon] , met wie Contractanten ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten hebben gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van Contractanten om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen.
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan Contractanten in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.15.
Het verweer van Dexia dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.16.
Dexia heeft verder nog aangevoerd dat alle cliëntenremisiers destijds geregistreerd waren bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM), dat de STE/AFM actief contact onderhield met zowel Dexia als de cliëntenremisiers en dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de handelwijze in strijd was met de wet en zij daaraan ook het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de tussenpersoon niet handelde in strijd met de wet. Dat verweer gaat niet op. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Voor de beoordeling van haar privaatrechtelijke aansprakelijkheid is niet doorslaggevend hoe de STE/AFM destijds oordeelde over de handelwijze van tussenpersonen die voor Dexia effectenleaseovereenkomsten verkochten. Het gaat er in relatie tot Contractanten en [geïntimeerde] om of de handelwijze van [tussenpersoon] is aan te merken als ‘advies’ in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft in de prejudiciële beslissing.
4.17.
Het hof ziet in wat Dexia in deze procedure verder heeft aangevoerd over de juridische betekenis van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing uit 2022, geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Wetenschap Dexia
4.18.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan Contractanten.
4.19.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur hadden gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van art. 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies hadden gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat Contractanten door [tussenpersoon] werden geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.20.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat [tussenpersoon] adviseerde. Hierbij komt dat dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] Contractanten advies heeft gegeven.
4.21.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Order
4.22.
Dexia heeft een grief aangevoerd tegen het ‘order-argument’. Omdat [geïntimeerde] naar eigen zeggen niet langer een beroep doet op het optreden van de tussenpersoon als orderremisier behoeft deze grief geen behandeling.
Fiscaal voordeel
De kantonrechter heeft geoordeeld dat bij het vaststellen van de schade rekening gehouden dient te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen. Dexia heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] in eerste aanleg niet heeft bestreden dat het fiscaal voordeel € 3.231,12 bedraagt. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat het door Dexia genoemde bedrag onjuist is, maar heeft zich hierbij gebaseerd op financiële gegevens die geen betrekking hebben op de door de Contractanten gesloten overeenkomsten. Het hof moet daarom ervan uitgaan dat het standpunt van Dexia juist is.
Verklaring voor recht
4.23.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief VI op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.24.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht terecht heeft toegewezen onder de voorwaarde dat Dexia de schade van [geïntimeerde] volledig vergoedt.
4.25.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.19. van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
4.24.
Het hof passeert de stelling van Dexia dat [geïntimeerde] in strijd met art. 85 lid 4 Rv heeft gehandeld door bij memorie van antwoord vijftig producties over te leggen. Het gaat vrijwel uitsluitend om stukken die bekend zijn bij de advocaten van beide partijen en die in bijna alle Dexia-zaken overgelegd plegen te worden. Er zijn slechts een paar producties overgelegd die specifiek op deze zaak zien en op die producties heeft Dexia – naar eigen zeggen – bij akte gereageerd.
Slotsom en proceskosten
4.26.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.27.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 343,00 aan griffierecht en op € 1821,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 178,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Frieling en P. Volker, en is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.[1] HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:274.
2.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).