In deze zaak, die voor het Gerechtshof Den Haag is behandeld, gaat het om een hoger beroep van Dexia Nederland B.V. tegen een uitspraak van de kantonrechter in Den Haag. De zaak betreft effectenleaseovereenkomsten die zijn afgesloten tussen Dexia en de overleden contractanten, waarbij de wettelijk erfgenaam, [geïntimeerde], de belangen van de contractanten vertegenwoordigt. De kern van het geschil draait om de vraag of de tussenpersoon die de contractanten adviseerde over de effectenleaseovereenkomsten, beschikte over de vereiste vergunning om dit advies te geven. Dexia stelt dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en dat er geen verdere schadevergoeding aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de tussenpersoon zonder vergunning advies te laten geven, en heeft Dexia veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Dexia de grieven aangevoerd, maar het hof heeft de eerdere uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelt dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf, en dat de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] is gestuit. Dexia is veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en moet de wettelijke rente over deze kosten betalen. De uitspraak is gedaan op 11 november 2025.