ECLI:NL:GHDHA:2025:2351

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.343.676/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering door tussenpersoon in effectenleaseovereenkomsten

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 4 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en een particuliere cliënt, aangeduid als [geïntimeerde]. De kern van de zaak betreft de vraag of de tussenpersoon die de overeenkomsten tot stand heeft gebracht, beschikte over de vereiste vergunning om financieel advies te geven. Dexia heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter zou verklaren dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de tussenpersoon niet over de benodigde vergunning beschikte en Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. In hoger beroep heeft Dexia de grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar het hof heeft de eerdere uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelde dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven en dat Dexia niet voldoende heeft aangetoond dat zij niet op de hoogte was van deze situatie. Dexia is veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en moet de schade van [geïntimeerde] vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.676/01
Zaaknummer rechtbank: : 10286042 EL 23-12
Arrest van 4 november 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 april 2024 (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde], met productie.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon ([tussenpersoon]). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon bij de totstandkoming van de overeenkomsten waarbij het betrokken was, beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [nummer 1] (Overeenkomst I), [nummer 2] (Overeenkomst II), [nummer 3] (Overeenkomst III) en [nummer 4] (Overeenkomst IV) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Eveneens heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] in de proceskosten veroordeelt. [geïntimeerde] heeft de vordering ter zake van de Overeenkomsten I en IV niet betwist. Ter zake van de Overeenkomsten II en III heeft [geïntimeerde] onder meer aangevoerd dat de daarbij betrokken tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven zonder over een daarvoor benodigde vergunning te beschikken. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot Overeenkomst I en IV aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Met betrekking tot Overeenkomst II en III heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als weergegeven onder rov. 4.16 van het bestreden vonnis. Ook heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in paragraaf 2 (De feiten). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vordering. Naar het hof begrijpt, betreft het hoger beroep enkel de overeenkomsten II en III.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot – zakelijk weergegeven – bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten II en III met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze tussenpersoon niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat een tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten II en III, onder “Advisering door de tussenpersoon” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] was reeds klant bij [tussenpersoon]. [geïntimeerde] werd telefonisch benaderd door de tussenpersoon, waarna een adviesgesprek werd ingepland bij [geïntimeerde] thuis met een bij naam genoemde medewerker van de tussenpersoon. Bij dit huisbezoek – waarbij de toenmalige partner van [geïntimeerde] eveneens aanwezig was – heeft de medewerker geïnformeerd naar de financiële wensen van [geïntimeerde]. Er is ook gesproken over het spaargeld van [geïntimeerde]. [tussenpersoon] was al enigszins bekend met de financiële situatie van [geïntimeerde]. Daarbij is besproken welke doelstellingen [geïntimeerde] had (studie kinderen, vermogen voor later). Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de medewerker van [tussenpersoon] geadviseerd om specifieke effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Volgens de medewerker van [tussenpersoon] waren deze effectenleaseproducten geschikt voor de situatie van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker van de tussenpersoon vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. De medewerker heeft het aanvraagformulier door [geïntimeerde] laten ondertekenen en dit vervolgens naar Dexia gestuurd. [geïntimeerde] heeft de overeenkomsten op een later moment ondertekend, waarna de medewerker van [tussenpersoon] de overeenkomsten naar Dexia heeft gestuurd, aldus [geïntimeerde].
4.7.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Deze laatste omstandigheid en de omstandigheid dat de producties van [geïntimeerde] geen bewijs zouden leveren voor zijn stellingen, brengen volgens Dexia mee dat van haar niet kan worden gevergd de betwisting van de stellingen [geïntimeerde] nader te motiveren of te stellen hoe een en ander dan wel verlopen is. Verder stelt Dexia dat het absurd is om ervan uit te gaan dat de clientenremisiers altijd vergunningplichtig hebben geadviseerd. Er zijn juist veel gevallen bekend waarin dat niet het geval is. Uit het ontbreken van bewijs daarvoor in de producties, maakt Dexia op dat in dit geval niet is geadviseerd. Ter onderbouwing van die conclusie wijst Dexia mede op de verlopen tijdsduur, en dat [geïntimeerde] ook al sinds 2006 juridische bijstand geniet. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerde] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde].
4.8.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Mede in aanmerking wordt genomen dat Dexia in een eigen memorandum (d.d. 25 maart 2007) ook het standpunt heeft ingenomen dat de werkzaamheden van de tussenpersonen, met wie zij werkte op basis van een cliëntenremisierovereenkomst, zich zelden beperkten tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin en dat doorgaans sprake was van het geven van beleggingsadvies. Dexia voert hierover nu aan dat de auteur van dit memorandum zich voor deze passage slechts heeft verlaten op de Memorie van Toelichting bij de Wft en zich niet heeft gebaseerd op zelfstandig onderzoek. Dit neemt niet weg dat de advisering door tussenpersonen van Dexia als feitelijk gegeven wordt gepresenteerd, waarbij Dexia het gebruik van dit memorandum klaarblijkelijk heeft geautoriseerd, zodat niet voldoende is onderbouwd dat Dexia deze feitelijke stelling niet zou hebben willen innemen. In elk geval is de gestelde (veelvuldige) advisering geheel in lijn met wat [geïntimeerde] overigens aan relevante bronnen op dit punt heeft gepresenteerd. Door de bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht aan personen heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia heeft gelegen te controleren wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Als dat het geval was, zou Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer hebben moeten weigeren. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.9.
De door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, moet gezien de prejudiciële beslissing worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken, zoals beschreven door [geïntimeerde], bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] al eerder (zonder tussenkomst van een tussenpersoon) een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten, betekent niet dat de tussenpersoon hem ter zake van de onderhavige effectenleaseovereenkomsten niet heeft geadviseerd, dat het onwaarschijnlijk is dat de tussenpersoon hem heeft geadviseerd of dat [geïntimeerde] niet op de deskundigheid van de tussenpersoon heeft vertrouwd.
4.10.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de herinneringen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon], met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het hof verwerpt het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 NR 1999. Zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, moet het Dexia, mede gezien de WCAM procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [geïntimeerde] zij zich (mogelijk) zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.12.
Het verweer van Dexia dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.13.
Dexia heeft verder nog aangevoerd dat alle cliëntenremisiers destijds geregistreerd waren bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM), dat de STE/AFM actief contact onderhield met zowel Dexia als de cliëntenremisiers en dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de handelwijze in strijd was met de wet en zij daaraan ook het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet. Dat verweer gaat niet op. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Voor de beoordeling van haar privaatrechtelijke aansprakelijkheid is niet doorslaggevend hoe de STE/AFM destijds oordeelde over de handelwijze van tussenpersonen die voor Dexia effectenleaseovereenkomsten verkochten. Het gaat er in relatie tot [geïntimeerde] om of de handelwijze van [tussenpersoon] is aan te merken als ‘advies’ in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft in de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.14.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
4.15.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de naam van de tussenpersoon (
Advies[tussenpersoon]) en de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als financieel adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van art. 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat uit het door [geïntimeerde] overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat [tussenpersoon] zich naar de buitenwereld nadrukkelijk presenteerde als adviseur met betrekking tot allerhande financiële producten, een gegeven dat Dexia destijds eenvoudig had kunnen nagaan. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.16.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat [tussenpersoon] adviseerde. Hierbij komt dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.17.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.18.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Omdat de grieven I tot en met III niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden, behoeft deze grief geen behandeling.
Conclusie
4.19.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht ter zake van de Overeenkomsten II en III slechts kan worden toegewezen op voorwaarde dat Dexia de schade van [geïntimeerde] volledig vergoedt.
4.20.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.16 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.22.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.821,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 178,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.A. Joustra en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).