Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
gericht aan Tempoline op dat adres. Dat betekent nog niet dat de huur niet per 1 juni 2020 was geëindigd. Zoals Tempoline in de procedure bij de kantonrechter al terecht heeft opgemerkt is begrijpelijk dat zij vanwege haar latere uitschrijving uit het KvK nog enige tijd op dat adres post heeft ontvangen van de belastingdienst en het UWV. Wel is opmerkelijk dat Tempoline op 23 februari 2021 bericht van het UWV heeft ontvangen op het adres van het gehuurde waaruit blijkt dat Tempoline een aanvraag tegemoetkoming NOW (wegens Covid-19) heeft gedaan voor de maanden januari, februari en maart 2021 en dat die is toegekend. Dat is echter een kwestie tussen haar en het UWV en brengt in de relatie tussen haar en [appellant] niet mee dat de huur – ondanks alles wat hierboven in de alinea’s 6.6.-6.8. is overwogen – niet per 1 juni 2020 is geëindigd. In elk geval volgt uit het feit dat de belastingdienst en het UWV correspondentie richt aan een bepaald adres nog niet zonder meer dat er vanaf dat adres door Tempoline belaste diensten zijn verricht en dat de huur op dat adres (dus) is voortgezet.
“de inlogcodes van de computer ter plaatse en het reserveringssysteem en de reserveringsbedrijven zoals Booking.com”. Tempoline heeft niet op die stelling gereageerd. Ook als deze stelling juist is legt dit echter onvoldoende gewicht in de schaal tegenover alle argumenten die wijzen op een einde van de huur per 1 juni 2020 (zie alinea’s 6.6.-6.8). Het mogelijke niet overdragen van de codes betekent immers nog niet dat de huur doorliep. Uit het voorgaande blijkt afdoende dat Tempoline geen exploitant meer was en het gehuurde had opgeleverd.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 december 2024;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd door [appellant];
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Tempoline begroot op € 17.553,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- wijst de vorderingen af;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, aan de zijde van Tempoline begroot op € 2.214,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;