ECLI:NL:GHDHA:2025:110
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde horecapand en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, eigenaar van een horecapand, betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €708.000 voor het kalenderjaar 2022 en vorderde daarnaast een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de waardebepaling met een matrix van vergelijkingsobjecten en een bruto kapitalisatiefactor gebaseerd op een recente verkooptransactie. De rechtbank en het hof oordeelden dat deze onderbouwing toereikend was en dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar waren en dat er onvoldoende rekening was gehouden met onderhoudstoestand en verpaupering, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Het hof wees het beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht af wegens gebrek aan onderbouwing. Tevens liet het hof nieuwe stukken die kort voor de zitting waren ingediend buiten beschouwing vanwege te late indiening. De wijze van procederen van de gemachtigde, die pas ter zitting grieven concreet maakte, werd als strijdig met de goede procesorde beoordeeld, waardoor deze grieven buiten beschouwing bleven.
Ten aanzien van de vergoeding voor immateriële schade stelde het hof vast dat de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase niet was overschreden, mede door vertragingen veroorzaakt door de gemachtigde. Het verzoek om vergoeding werd daarom afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde bevestigd; vergoeding immateriële schade wordt afgewezen.