ECLI:NL:GHDHA:2025:109
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij WOZ-waarde
Belanghebbende is eigenaar van een appartement waarvan de WOZ-waarde voor 2022 is vastgesteld op € 743.000. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank, met name gericht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Rechtbank oordeelde dat de waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld, gebaseerd op een matrix met vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar waren. Belanghebbende stelde dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar waren en dat de onderhoudssituatie onvoldoende was meegewogen, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook stelde belanghebbende dat ten onrechte geen hoorverslag was opgesteld, maar dit werd verworpen omdat de inhoud van de hoorzitting in de uitspraak op bezwaar was opgenomen.
Het Hof overwoog dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met afgerond één maand was overschreden, maar verlengde deze termijn met anderhalve maand vanwege vertragingen veroorzaakt door belanghebbende en diens gemachtigde. Het beroep op betalingsonmacht voor griffierecht werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en de omvang van de beleggingsportefeuille van belanghebbende. Belanghebbende trok tevens zijn bezwaren tegen de WOZ-waarde in.
Het Hof concludeerde dat geen vergoeding van immateriële schade toekomt aan belanghebbende en wees het verzoek af. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 9 januari 2025.
Uitkomst: Het Gerechtshof wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af wegens verlenging van de redelijke termijn door vertragingen.