De Heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag stelde de WOZ-waarde van een woning vast en legde een aanslag onroerende-zaakbelastingen op. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep bij de rechtbank werd ingesteld en eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde [Y], beweerdelijk gemachtigd namens belanghebbende, hoger beroep in.
Het hof verzocht [Y] om een recente schriftelijke machtiging, niet ouder dan zes maanden, en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de volmachtgever te overleggen. Ondanks uitstelverzoek en meerdere herinneringen werd niet aan dit verzoek voldaan. Het hof stelde vast dat de overgelegde machtiging van maart 2023 te oud was en dat er gerede twijfel bestond over de vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Gelet op het ontbreken van een recente machtiging en de wettelijke vereisten verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 15 april 2025.