Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een belastingaanslag en daarbij meerdere wrakingsverzoeken ingediend tegen de zetel en de griffier van het Gerechtshof Den Haag. Het eerste wrakingsverzoek werd afgewezen omdat de weigering tot schorsing van de zitting een zuivere procesbeslissing betrof zonder aanwijzingen van vooringenomenheid.
Na ontvangst van het dossier op een usb-stick en afwijzing van een verzoek tot uitstel van de zitting, diende verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek in. Dit verzoek was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid vanwege het gelijktijdig behandelen van een voorlopige voorziening met de hoofdzaak en het niet tijdig beschikbaar stellen van stukken.
De wrakingskamer oordeelde dat de procesbeslissingen geen aanleiding geven tot het vermoeden van partijdigheid en dat de stellingen van verzoeker onvoldoende concreet waren onderbouwd. Tevens werd het wrakingsverzoek tegen de griffier niet-ontvankelijk verklaard omdat een wraking van de griffier niet mogelijk is.
De kamer bepaalde dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaak niet in behandeling worden genomen, omdat de wrakingsprocedure niet mag worden misbruikt om procesbeslissingen af te dwingen.
De beslissing werd op 26 april 2024 in het openbaar uitgesproken door de genoemde rechters.