In deze civielrechtelijke arbeidszaak stond de vraag centraal of het opzegbeding in de kinderopvangovereenkomst tussen de werknemer en werkgever oneerlijk was en of de werknemer gehouden was tot betaling van kinderopvangkosten en terugbetaling van geleende gelden.
De werknemer, pedagogisch medewerker, had haar arbeidsovereenkomst en de kinderopvangovereenkomsten opgezegd. De werkgever vorderde betaling van kinderopvangkosten over een langere opzegtermijn dan wettelijk toegestaan en terugbetaling van geleende gelden. De kantonrechter wees de vordering grotendeels toe.
Het hof oordeelde dat het opzegbeding, dat een opzegtermijn van een maand voorschreef maar ook bepaalde dat opgezegd moest worden per de eerste of zestiende van de maand, de maximale opzegtermijn effectief verlengde en daarmee oneerlijk was volgens Richtlijn 93/13. Dit beding werd buiten toepassing gelaten. De vordering tot betaling van kinderopvangkosten werd afgewezen. Ook de vordering tot terugbetaling van geleende gelden werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs.
Het hoger beroep van de werknemer werd gegrond verklaard, het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van de werkgever afgewezen. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.