Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 3 januari 2024
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
€ 701
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak staat de box 3-heffing over het jaar 2018 centraal, waarbij belanghebbenden bezwaar maakten tegen de forfaitaire rendementsheffing die volgens hen in strijd is met artikel 1 EP Pro in samenhang met artikel 14 EVRM Pro. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het voordeel uit sparen en beleggen moest worden berekend op basis van het werkelijk behaalde rendement, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen zoals die op baar goud.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en betoogde dat de Wet rechtsherstel box 3, die het rechtsherstel vormgeeft na het Kerstarrest van de Hoge Raad, leidend is en dat ongerealiseerde waardestijgingen niet tot compensatie moeten leiden. Het Hof bevestigt dit standpunt en oordeelt dat alleen daadwerkelijk gerealiseerde vermogensopbrengsten, zoals rente en dividend, als werkelijk rendement mogen worden meegeteld.
Het Hof stelt vast dat het werkelijk behaalde rendement op de bank- en spaartegoeden € 38 bedraagt en dat op de baar goud geen rendement is gerealiseerd. Hierdoor wordt het box 3-inkomen vastgesteld op € 29, aanzienlijk lager dan de door de rechtbank berekende € 566. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, behoudens de beslissing over belastingrente.
Er worden geen proceskosten aan partijen toegekend en de Inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van het griffierecht. De uitspraak is op 3 januari 2024 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.