Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 16 januari 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
[adres 1] (SGR 21/2928)
Gerechtshof Den Haag
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak, een drukkerij met winkel en kantoorruimte, voor het jaar 2020 vast op €260.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en voerde aan dat de waarde te hoog is vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Den Haag de uitspraak van de rechtbank. Hoewel de onderbouwing van de waarde door de heffingsambtenaar wat mager was en de taxatiematrix beperkte inzicht bood, achtte het hof de waarde niet onaannemelijk gelet op de beschikbare transactieprijzen van vergelijkbare objecten. Het principe van afnemend grensnut verklaarde de hogere prijs per vierkante meter van de onroerende zaak ten opzichte van grotere vergelijkingsobjecten.
Het hof verwierp de stellingen van belanghebbende over waardevermindering door factoren als bodemdaling, bereikbaarheid, parkeersituatie en de coronacrisis, omdat deze niet concreet waren onderbouwd of niet relevant waren gezien de waardepeildatum. Ook het ontbreken van taxatieverslagen of grondstaffels werd niet als tekortkoming gezien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van €260.000 niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.