ECLI:NL:GHDHA:2023:291
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting schuldsaneringsregeling ondanks niet gemelde schuld uit beschermingsbewind
De rechtbank Rotterdam beëindigde de schuldsaneringsregeling van appellante omdat zij niet te goeder trouw ontstane schulden uit haar periode als beschermingsbewindvoerder van haar zwager niet had gemeld bij de toelating. De rechtbank vond dat deze feiten en omstandigheden, indien bekend geweest, tot weigering van toelating hadden geleid en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
Appellante voerde aan dat zij onbewust fouten had gemaakt door gebrek aan ervaring en dat zij niet bewust schulden had verzwegen. De opvolgend bewindvoerder stelde haar aansprakelijk voor schulden die niet te goeder trouw waren ontstaan, maar erkende dat privébetalingen niet waren gevorderd. De bewindvoerder adviseerde het hof om de hardheidsclausule toe te passen omdat appellante zich aan haar verplichtingen houdt.
Het hof oordeelde dat hoewel appellante de schuld niet had gemeld, dit niet aan haar toerekenbaar was en dat de omstandigheden gewijzigd waren. Gezien haar naleving van de regeling en budgetbeheer door de gemeente, achtte het hof de toepassing van de hardheidsclausule passend en vernietigde het vonnis van de rechtbank, waarna de schuldsaneringsregeling werd voortgezet.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis dat de schuldsaneringsregeling beëindigde en verwijst de zaak terug voor voortzetting van de regeling.