In deze zaak staat de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een in Marokko gesloten huwelijk centraal, dat partijen in Nederland willen laten ontbinden. De vrouw was bij het sluiten van het huwelijk met de man nog gehuwd met een ander volgens Nederlands recht, wat aanleiding gaf tot discussie over de erkenning van het tweede huwelijk en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
Het hof oordeelt dat het tweede huwelijk volgens Marokkaans recht rechtsgeldig is, omdat het eerste huwelijk van de vrouw met haar oom niet aan de wettelijke vereisten van Marokkaans recht voldeed en derhalve als niet-erkend kan worden beschouwd. Hierdoor was er geen huwelijksbeletsel door polygamie op het moment van het tweede huwelijk. De erkenning van het huwelijk in Nederland wordt niet geweigerd, ook niet op grond van openbare orde, omdat het polygamiebeletsel ophield te bestaan na de ontbinding van het eerste huwelijk.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking die het echtscheidingsverzoek had afgewezen en spreekt de echtscheiding uit. De zaak wordt niet terugverwezen naar de rechtbank voor nevenvoorzieningen, maar partijen krijgen wel de gelegenheid om hun actuele standpunten en bewijsstukken over deze voorzieningen aan te leveren. De verdere behandeling wordt aangehouden tot januari 2024.
Deze uitspraak benadrukt de toepassing van internationaal privaatrecht en overgangsrecht bij erkenning van buitenlandse huwelijken en de grenzen van terugverwijzing in hoger beroep.