Belanghebbende exploiteert sinds 2013 een autobedrijf en heeft over 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting van €20.193 opgelegd gekregen, inclusief een vergrijpboete van 25% wegens grove schuld. De Inspecteur stelde vast dat belanghebbende aanzienlijke contante stortingen niet in zijn aangifte had opgenomen, terwijl hij geen administratie kon overleggen.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de naheffingsaanslag onterecht is, mede omdat zijn administratie in een in beslag genomen auto lag die door het Openbaar Ministerie werd vernietigd, waardoor hij in bewijsnood zou verkeren.
Het Hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. De stelling van bewijsnood werd verworpen omdat de administratie door de voormalig boekhouder was teruggegeven vóór de inbeslagname van de auto. De verklaring dat de contante stortingen privé waren, werd ongeloofwaardig bevonden. Ook de vergrijpboete werd bevestigd vanwege grove nalatigheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.