Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
5.De motivering van de beslissing
NJ2016/33). Het hof zal dan ook het beroep van de man inhoudelijk beoordelen.
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak gaat het om de vaststelling van het vaderschap van een minderjarige geboren in de Filipijnen. De man betwistte het vaderschap en voerde in hoger beroep voornamelijk aan dat het DNA-onderzoek onrechtmatig en onbetrouwbaar was uitgevoerd, onder meer vanwege twijfel over de identiteit van de betrokken arts en de locatie van de DNA-afname.
Het hof oordeelde dat de man ondanks te late betaling van griffierechten ontvankelijk was in het hoger beroep, omdat het voortzetten van de behandeling tot een billijke situatie leidde. Het hof bevestigde de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke Filipijnse recht.
De rechtbank had het vaderschap vastgesteld op basis van een deskundigenrapport dat voldeed aan de wettelijke criteria. Het hof nam de overwegingen van de rechtbank over en concludeerde dat het rapport betrouwbaar was, de DNA-test rechtsgeldig was uitgevoerd en de man met een waarschijnlijkheid van 99,99% de biologische vader is.
De door de man aangevoerde bezwaren tegen de identiteit van de arts en de afnameprocedure werden verworpen, mede omdat hij geen nieuwe feiten of bewijs had ingebracht. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de man de biologische vader is van de minderjarige.