ECLI:NL:GHDHA:2023:1660
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling winkelpanden en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van zes winkelpanden die door de heffingsambtenaar voor het kalenderjaar 2020 waren vastgesteld. De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Belanghebbende ging in hoger beroep.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarden niet te hoog zijn vastgesteld. De waardebepaling is gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij gebruik is gemaakt van vergelijkingsobjecten en een bruto huurwaardekapitalisatiefactor van 10,6, welke voldoende is onderbouwd. De coronapandemie kon geen waardeverlagend effect hebben op de waardepeildatum 1 januari 2019.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelde het Hof vast dat de vertraging grotendeels is toe te rekenen aan het procesgedrag van de gemachtigde van belanghebbende, die door zijn drukke agenda veel zittingsdata niet kon benutten. Dit leidde tot een overschrijding van circa vijf maanden, maar er was geen sprake van spanning of frustratie bij belanghebbende. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade werd daarom afgewezen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarden en afwijzing van vergoeding immateriële schade bevestigd.