ECLI:NL:GHDHA:2023:1119
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en hoger beroep
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 is vastgesteld op €366.000. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank Den Haag, dat ongegrond werd verklaard, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag. Het geschil betrof de juistheid van de vastgestelde WOZ-waarde en de naleving van bestuursrechtelijke beginselen door de heffingsambtenaar.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Dit is onderbouwd met een waardematrix en vergelijkingsobjecten die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte goed vergelijkbaar zijn. Het hof verwierp de stellingen van belanghebbende over gebreken en waardeverminderingen, mede omdat deze onvoldoende concreet waren onderbouwd.
Verder oordeelde het hof dat de heffingsambtenaar niet is tekortgeschoten in de hoorplicht en de toezendplicht van stukken. De stukken zijn ter inzage gelegd en belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot inzage of het verkrijgen van afschriften. Ook was er geen aanleiding voor een tweede hoorzitting. Het hof bevestigde dat de heffingsambtenaar de beschikking volledig heeft heroverwogen en geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft plaatsgevonden.
De waarde van de woning is vastgesteld op basis van systematische vergelijking met vergelijkingsobjecten binnen de gemeente, waarbij rekening is gehouden met ligging en kwaliteit. Het hof concludeerde dat de waarde in redelijke verhouding staat tot de marktgegevens en wees het hoger beroep af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van €366.000 niet te hoog is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.