Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in incident van 15 maart 2022
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
One volume of the Holy Koran and a branch of Nabat (candy) gifted for Rls. 200.000 submitted to the wife and 514 gold coins (Full Bahar Azadi) which is the husband’s liability and payable upon the wife’s demand.’ De verplichting van de man om aan de vrouw 514 Bahar Azadi gouden munten te betalen, zal het hof hierna aanduiden als: de uitgestelde bruidsgave.
€ 433.995,90.
litispendentiein de zin van artikel 12 Rv Pro en, zo ja, (ii) wanneer een buitenlandse beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 12 Rv Pro.
litispendentiein de zin van artikel 12 Rv Pro. Voor het hof staat vast dat de vordering van de vrouw in de onderhavige procedure en in de Iraanse procedure die heeft geleid tot de beslissing van 16 juni 2019 hetzelfde onderwerp betreffen, namelijk de veroordeling van de man tot betaling van de uitgestelde bruidsgave. Dit volgt niet alleen uit de door de man in het geding gebrachte Nederlandse vertaling van de Iraanse beslissing (‘
veroordeelt de gedaagde (…) tot het betalen van de bruidsgave van vijfhonderdveertien gouden Bahar Azadi munten aan eiser’), maar is ook door de vrouw uitdrukkelijk erkend in haar conclusie van antwoord in het incident, onder nr. 2.4 (‘
De vrouw erkent (…) dat zij een procedure heeft gestart in Iran, en daarbij onder meer heeft verzocht om vergoeding van een bruidsgave’) alsmede in haar verzoekschrift, onder nr. 3, van 7 mei 2021 voor het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van de Iraanse beslissing (‘
Bij voornoemd vonnis is de man veroordeeld aan de vrouw 514 Bahar Azadi munten, ofwel in euro’s een bedrag van EUR 433.995,90 [te betalen]’). Verder is van belang dat de Iraanse rechter in de beslissing van 16 juni 2019 – impliciet – rechtsmacht heeft aangenomen om van de vordering van de vrouw kennis te nemen, en dat de Nederlandse rechter in de hoofdzaak eveneens bevoegd is ten aanzien van de vordering van de vrouw op grond van de woonplaats van de gedaagde – de man – in Nederland (artikel 2 Rv Pro). Ook staat tussen partijen vast dat de vrouw de Iraanse procedure op een eerder moment aanhangig heeft gemaakt dan de onderhavige procedure bij de Nederlandse rechter.
litispendentiein de zin van artikel 12 Rv Pro, omdat vast is komen te staan dat op het moment van het inleiden van de onderhavige procedure – bij inleidende dagvaarding van 21 juli 2020 – de Iraanse rechter op 16 juni 2019 reeds had beslist op de vordering van de vrouw met betrekking tot de uitgestelde bruidsgave en deze beslissing bovendien onherroepelijk was geworden. Het hof verwijst in dit verband naar de stelling van de man in zijn akte uitlaten in incident d.d. 13 januari 2021, nr. 2, dat hij tegen deze Iraanse beslissing ‘geen verzet of beroep’ heeft ingesteld. Deze stelling is door de vrouw onweersproken gebleven. Dit betekent dat ten tijde van het – bestreden – eindvonnis van 14 april 2021 van de rechtbank geen sprake was van
litispendentie, omdat de Iraanse procedure op dat moment niet meer aanhangig was en had geleid tot een onherroepelijke beslissing. De rechtbank had zich derhalve niet onbevoegd kunnen verklaren op grond van artikel 12 Rv Pro. De zaak had inhoudelijk behandeld moeten worden, waarbij de man ervoor had kunnen kiezen om zich op de Iraanse beslissing te beroepen bij wijze van inhoudelijk verweer tegen de vordering van de vrouw.
litispendentie, hecht het hof eraan ten overvloede in te gaan op de door partijen aan de orde gestelde vraag naar de uitleg van de tweede volzin van artikel 12 Rv Pro. Indien met partijen en de rechtbank zou worden aangenomen dat in dit geval wel sprake is van een situatie van
litispendentie, geldt het volgende.
Buitenlandse beslissingen kunnen alleen in Nederland ten uitvoer worden gelegd indien internationale verdragen dat meebrengen, zie artikel 431 Rv Pro. Is dat niet het geval, dan zal er dus geen sprake zijn van de in artikel 1.1.11 [artikel 12 Rv Pro, hof] bedoelde situatie van litispendentie, omdat de eerder in het buitenland gestarte procedure niet voor executie in Nederland in aanmerking komt.’ (Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 119)
litispendentiezich voordoet in de verhouding tot een vreemde staat waarmee Nederland geen – bilateraal of multilateraal – executieverdrag heeft op grond waarvan de buitenlandse beslissing in aanmerking komt voor executie in Nederland. Dat de Iraanse beslissing via erkenning op grond van HR 26 september 2014 kan leiden tot een Nederlandse executoriale titel waarin de inhoud van de Iraanse beslissing als het ware wordt overgenomen, is derhalve ontoereikend voor de toepassing van artikel 12 Rv Pro. Voor deze uitleg van artikel 12 Rv Pro vindt het hof steun in HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, r.o. 3.4.5, laatste volzin.