ECLI:NL:GHDHA:2022:310
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde galerijflat ondanks schending inzagerecht en beroep op gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende, huurster van een galerijflatappartement, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning voor het kalenderjaar 2019. Zij stelde dat de heffingsambtenaar voorafgaand aan de hoorzitting niet had voldaan aan het inzagerecht en dat de waarde te hoog was vastgesteld. Tevens beriep zij zich op het gelijkheidsbeginsel en vroeg een waardevermindering vanwege omgevingsfactoren zoals een moskee en luchtverontreiniging.
De Rechtbank oordeelde dat het inzagerecht was geschonden omdat niet was vermeld waar en wanneer stukken konden worden ingezien, maar dat dit niet leidde tot vernietiging van het besluit omdat belanghebbende niet was benadeeld. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze uitspraak. Het Hof stelde dat belanghebbende weliswaar niet volledig was geïnformeerd over inzage, maar dat zij niet in haar belangen was geschaad omdat zij beschikte over de beschikking, het bezwaarschrift en het taxatieverslag. Het Hof verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de woningen niet identiek waren en slechts één vergelijkingsobject was genoemd met waardevermindering. Bovendien wordt de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw vastgesteld op basis van actuele marktgegevens.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €117.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.