Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde 1] ,
1.Het geding
2.De feiten
3.Het bestreden vonnis en de vorderingen in hoger beroep
4.Het geschil in het kort
stelt [appellant] dat -in het geval geen sprake zou zijn van een stilzwijgende overeenkomst strekkende tot een obligatoire overeenkomst- de woning als gemeenschappelijk moet worden beschouwd dan wel de tussen partijen bestaande vermogensscheiding ten aan zien van de woning op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Meer subsidiair stelt hij dat – naast het door de rechtbank aan hem toegewezen bedrag - hem een deel van de waarde (zijnde 64,75%) van de spaarpolis met betrekking tot de woning toekomt op grond van ongerechtvaardigde verrijking, althans op grond van de redelijkheid en billijkheid.