De ouders van twee minderjarige erfgenamen hebben bij het hof hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de kantonrechter van hun verzoek om machtiging tot verwerping van een in Duitsland opengevallen nalatenschap. Het hof bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II bis-Verordening, aangezien de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Het hof stelt vast dat het verzoek moet worden gekwalificeerd als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en dat Nederlands recht van toepassing is voor de beoordeling van het machtigingsverzoek. De ouders betogen dat de nalatenschap negatief is vanwege schulden van de erflater, maar kunnen dit niet onomstotelijk aantonen.
Het hof besluit daarom via de Haagse liaisonrechter het Duitse Amtsgericht Lichtenberg te consulteren om informatie te verkrijgen over de stand van de nalatenschap, waaronder de vraag of deze negatief is en of alle schuldeisers zijn voldaan. De procedure wordt pro forma aangehouden tot 21 december 2022 in afwachting van deze informatie, waarna de ouders gelegenheid krijgen te reageren.