Uitspraak
3.HEFFINGSMAATSTAF
6.WAARDE
8.WAARDEVASTSTELLING
9.TAXATIEONDERBOUWING
10.VERGELIJKINGSOBJECTEN
Schending hoorplicht
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende huurt een bedrijfsruimte die als hondentrimsalon wordt gebruikt en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €39.000. De heffingsambtenaar stelde deze waarde vast met een taxatierapport gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode en de ITZA-methode.
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, waarbij werd geoordeeld dat geen hoorplicht was geschonden omdat belanghebbende geen verzoek tot hoorzitting had ingediend. Ook werd vastgesteld dat de gehanteerde kapitalisatiefactor van 10,2 passend was en dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren. De stellingen over een te hoge waarde vanwege moderne inrichting of ongeschikte vergelijkingsobjecten werden verworpen.
In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat ook derden en andere huurders hoorgesproken hadden moeten worden en dat het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel was geschonden. Het Hof oordeelde dat deze derden geen belanghebbenden zijn en dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De WOZ-waarde is adequaat onderbouwd en de gebruikte methoden zijn geschikt. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €39.000 bevestigd.