Verzoeker had een hypothecaire lening aangevraagd via Achmea waarbij enkele bijlagen vals bleken, waaronder bankafschriften en een werkgeversverklaring. Achmea registreerde verzoeker in diverse frauderegisters en deed aangifte, maar het OM seponeerde de zaak wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank oordeelde dat er een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld bestond en wees het verzoek tot verwijdering van de registratie af. Het hof stelde echter vast dat de verklaring van de tussenpersoon dat hij het originele paspoort had gezien onjuist was en dat onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden voor persoonlijke betrokkenheid van verzoeker bij de vervalste documenten.
Het hof overwoog dat het mogelijk was dat een derde partij beschikte over persoonlijke gegevens van verzoeker en dat Achmea onvoldoende bewijs had geleverd, waaronder geen onderzoek naar handtekeningen. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank, gelastte Achmea de registratie te verwijderen en veroordeelde Achmea in de proceskosten.