ECLI:NL:GHDHA:2021:431
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij schuldsaneringsregeling ondanks eerdere afwijzing
Appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, welke is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de voorafgaande vijf jaar. De rechtbank baseerde dit onder meer op het vertrek van appellant naar België om schulden te ontlopen, het aangaan van nieuwe schulden zonder inkomen en het niet voldoende inspannen om schuldeisers te betalen.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen, mede gezien zijn psychische problemen die nog niet onder controle waren. In hoger beroep heeft appellant niet betwist dat hij niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden, waardoor dit oordeel rechtens onaantastbaar werd.
Appellant deed echter een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, stellende dat zijn persoonlijke en financiële situatie inmiddels onder controle is. Ter zitting overhandigde hij een verklaring van zijn psycholoog waaruit bleek dat zijn depressieve klachten in remissie zijn en hij weer aan het werk kan. Ook is hij onder beschermingsbewind gesteld.
Het hof achtte op basis van deze nieuwe feiten aannemelijk dat appellant zich zal inspannen om zijn verplichtingen na te komen en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De schuldsaneringsregeling werd toegewezen en de zaak verwezen naar de rechtbank ter uitvoering, met de waarschuwing dat niet-naleving kan leiden tot beëindiging van de regeling en uitsluiting voor tien jaar.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellant op grond van de hardheidsclausule.