Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2021:431

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 februari 2021
Publicatiedatum
17 maart 2021
Zaaknummer
200.286.498/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij schuldsaneringsregeling ondanks eerdere afwijzing

Appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, welke is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de voorafgaande vijf jaar. De rechtbank baseerde dit onder meer op het vertrek van appellant naar België om schulden te ontlopen, het aangaan van nieuwe schulden zonder inkomen en het niet voldoende inspannen om schuldeisers te betalen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen, mede gezien zijn psychische problemen die nog niet onder controle waren. In hoger beroep heeft appellant niet betwist dat hij niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden, waardoor dit oordeel rechtens onaantastbaar werd.

Appellant deed echter een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, stellende dat zijn persoonlijke en financiële situatie inmiddels onder controle is. Ter zitting overhandigde hij een verklaring van zijn psycholoog waaruit bleek dat zijn depressieve klachten in remissie zijn en hij weer aan het werk kan. Ook is hij onder beschermingsbewind gesteld.

Het hof achtte op basis van deze nieuwe feiten aannemelijk dat appellant zich zal inspannen om zijn verplichtingen na te komen en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De schuldsaneringsregeling werd toegewezen en de zaak verwezen naar de rechtbank ter uitvoering, met de waarschuwing dat niet-naleving kan leiden tot beëindiging van de regeling en uitsluiting voor tien jaar.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellant op grond van de hardheidsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.286.498/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/606368/FT EA 20/1445

arrest van 22 februari 2021

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. S. van Beers te Zeist.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 2 december 2020, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2020, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Op 26 januari en 1, 3 en 4 februari 2021 zijn nog producties aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft in verband met de Covid-19 maatregelen per videoverbinding plaatsgevonden op 15 februari 2021. Hierbij is [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, verschenen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 21 oktober 2021 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 246.731,85.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat [appellant] in 2014 naar België is vertrokken omdat hij de toenmalige situatie in Nederland met deurwaarders en beslagen niet meer aankon. Bij vertrek uit Nederland had hij onder andere een forse schuld aan ING Bank N.V. van € 101.939,81. In 2019 is hij weer terug naar Nederland verhuisd. Gedurende de periode dat [appellant] in België woonde, zijn er meer schulden ontstaan, waaronder een lening van € 6.530,25 bij KBC Bank in juni 2019 voor de aanschaf van een auto en huurbetalingen. [appellant] had op dat moment geen inkomen en had zich moeten realiseren dat hij de lening niet zou kunnen terugbetalen. Van [appellant] had bovendien mogen worden verwacht dat hij alles in het werk zou stellen om inkomsten te verwerven om zijn schuldeisers terug te betalen. Dat heeft hij niet gedaan en hij heeft zijn schuldeisers dan ook verwijtbaar onbetaald gelaten.
3. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw). Daarbij heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat [appellant] ter zitting heeft verklaard dat hij onder meer lijdt aan een depressie en dat hij begin december 2020 een eerste gesprek zal hebben bij PsyQ Rotterdam. Nu dat behandeltraject nog moet beginnen, is niet of onvoldoende aangetoond dat de psychosociale problemen van [appellant] al enige tijd onder controle zijn, aldus de rechtbank.
4. Het hof stelt vast dat [appellant] in zijn beroepschrift niet heeft betwist dat hij ten aanzien van het ontstaan van de door de rechtbank genoemde schulden niet te goeder trouw is geweest. Gelet hierop, is het oordeel van de rechtbank omtrent het ontbreken van goede trouw thans in hoger beroep rechtens onaantastbaar geworden. In beginsel verhindert dit de toelating tot de schuldsaneringsregeling.
5. [appellant] heeft echter om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro verzocht. Daartoe heeft hij gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij zijn psychische problemen onder controle heeft. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [appellant] een verklaring van zijn behandelend psycholoog overgelegd. Verder heeft [appellant] verklaard dat hij op 16 februari 2021 weer aan het werk gaat als steigerbouwer. Ten bewijze hiervan heeft hij een brief van zijn (toekomstige) werkgever overgelegd.
6. Het hof is van oordeel dat op grond van de stukken en de verklaringen van [appellant] ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] zowel zijn financiële als zijn persoonlijke situatie thans onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro. Dat [appellant] zijn psychische problematiek onder controle heeft, blijkt uit de overgelegde verklaring van 29 januari 2021 van GZ-psycholoog mw. [psycholoog] (hierna: [psycholoog]). [psycholoog] heeft daarin geschreven dat [appellant] in januari 2020 naar haar is verwezen voor een behandeling in verband met een ernstige depressieve stoornis en een angststoornis als het gevolg van verscheidene verlieservaringen, waaronder zijn echtscheiding en het overlijden van familieleden. Gelet op de meervoudige problematiek heeft [psycholoog] [appellant] doorverwezen naar de GGZ. Alhoewel [appellant] dit aanbevolen GGZ-traject niet heeft gevolgd omdat het niet aansloot op zijn hulpvraag, heeft [appellant] wél hulp gezocht, namelijk bij PsyQ en Sanitas. Volgens [psycholoog] zijn de depressieve klachten van [appellant] inmiddels volledig in remissie. Daarnaast is de relatie met zijn ex-vrouw hersteld en wonen zij weer samen en ziet hij zijn kind weer (nadat hij lange tijd geen contact kon hebben omdat zijn ex-vrouw – naar eigen zeggen – met het kind was weggegaan).
Verder is uit de brief van Young Staff B.V. gebleken dat [appellant] zijn werkzaamheden voor 40 uur per week weer kan hervatten op 10 februari 2021. Ter zitting van het hof heeft [appellant] verklaard dat dit vanwege weersomstandigheden (sneeuw en ijs) is verschoven naar 16 februari 2021. Bovendien heeft [appellant] inmiddels ondersteuning in de vorm van beschermingsbewind. [appellant] heeft al met al voldoende aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van een gedragsverandering en (persoonlijke) ontwikkeling die – alhoewel deze ontwikkeling enigszins “pril” te noemen valt – ertoe heeft geleid dat hij de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht inmiddels onder controle heeft.
Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] zich kan en zal inspannen om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen. Ten overvloede wijst het hof erop dat [appellant] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling stipt dient na te komen, dat hij gebreke hiervan het risico loopt dat de schuldsaneringsregeling tussentijds of zonder schone lei beëindigd wordt en dat hij dan gedurende tien jaar niet meer in aanmerking komt voor een wettelijke schuldsaneringsregeling.
7. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2020;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W. van Baal, M.J. van Cleef-Metsaars en K.I. de Jong en
en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 22 februari 2021.