De zaak betreft een hoger beroep van een student tegen Stichting Zadkine vanwege zijn verwijdering van de opleiding Financieel administratieve beroepen en een toegangsverbod tot de locatie Benthemplein te Rotterdam. De student had de onderwijsovereenkomst gesloten in juni 2018 en werd geconfronteerd met meerdere waarschuwingen wegens ongeoorloofd verzuim en storend gedrag.
Zadkine stelde dat de student herhaaldelijk de regels van het Studentenstatuut had overtreden, waaronder intimidatie, ongeoorloofd verzuim en het weigeren van aanwijzingen. Ondanks waarschuwingen, schriftelijk en mondeling, bleef het gedrag onacceptabel, wat uiteindelijk leidde tot de beëindiging van de onderwijsovereenkomst en het opleggen van een toegangsverbod.
De student betwistte de ernst en frequentie van zijn gedragingen en stelde dat hij onvoldoende kans had gekregen om zich te verbeteren. Het hof oordeelde echter dat de door Zadkine aangevoerde feiten voldoende waren onderbouwd en dat de student zijn betwisting onvoldoende motiveerde.
Het hof concludeerde dat Zadkine rechtmatig heeft gehandeld binnen de geldende regels en dat de maatregel niet als onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming kan worden aangemerkt. De vorderingen van de student werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.