De werknemer trad in 2005 in dienst bij de werkgever als advocaat met een 40-urige werkweek en recht op 25 vakantiedagen per jaar. Gedurende de jaren ontstond een conflict over het niet opnemen van vakantiedagen, waarbij de werknemer weinig vakantie wilde nemen en de werkgever herhaaldelijk aanspoorde tot opname. Door een ransomwarevirus gingen oude vakantiedagenadministraties verloren, waardoor het exacte aantal openstaande dagen onduidelijk bleef.
De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens werkweigering en ander verwijtbaar gedrag van de werknemer, terwijl de werknemer een tegenverzoek deed wegens vermeend ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, waaronder intimidatie en bedreiging. Beide partijen betichtten elkaar van ernstig verwijtbaar handelen, maar de kantonrechter kon niet vaststellen wie daarvan overwegend verantwoordelijk was.
De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een duurzame en ernstige verstoring van de arbeidsverhouding, waardoor ontbinding gerechtvaardigd was met ingang van 1 januari 2021. Er werd geen billijke vergoeding toegekend omdat geen partij ernstig verwijtbaar handelde. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de wettelijke transitievergoeding van €37.015,91 bruto en tot uitbetaling van het netto equivalent van 22 vakantiedagen, aangezien de rest van de vakantiedagen volgens de wettelijke verval- en verjaringstermijnen waren komen te vervallen of verjaard.
Beide partijen dragen hun eigen proceskosten en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.