ECLI:NL:GHDHA:2021:1925
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op teruggaaf omzetbelasting wegens ontbreken ondernemerschap en verband met kosten
Belanghebbende, een bv opgericht door voormalig maat in een maatschap voor accountancy en belastingadvies, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over de jaren 2012 tot en met 2017. De Inspecteur stelde dat belanghebbende niet kwalificeerde als ondernemer in de zin van artikel 7 Wet Pro OB 1968 en weigerde de teruggaaf, waarna naheffingsaanslagen werden opgelegd.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in de betreffende jaren ondernemingsactiviteiten verrichtte. Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de enkele verklaring van een derde onvoldoende bewijs was voor ondernemerschap. Ook werd geoordeeld dat de kosten waarvoor teruggaaf werd gevraagd, voornamelijk advocaatkosten in verband met een procedure tegen de voormalige maatschap, geen direct verband hielden met ondernemingsactiviteiten.
Belanghebbende voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel, stellende dat de Belastingdienst eerder teruggaaf had verleend en op de afspraken tussen de maatschap en de Belastingdienst. Het Hof verwierp dit beroep wegens gebrek aan concrete toezeggingen en omdat eerdere teruggaaf niet als bewuste standpuntbepaling kon worden gezien. Ook werden stellingen over schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel verworpen. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de naheffingsaanslagen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen ondernemer is voor de omzetbelasting en wijst het hoger beroep af.