Verzoekster stelde dat zij vóór 31 maart 2018 werkzaam was bij geïntimeerde op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het hof heeft haar toegelaten bewijs te leveren, maar zij heeft geen getuigen gehoord en is daardoor niet geslaagd in haar bewijslevering.
Het hof concludeert dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 31 maart 2018, zoals de kantonrechter eerder had vastgesteld. De grieven van verzoekster die een andere uitkomst bepleiten worden daarom verworpen.
Ook haar meer subsidiaire verzoek tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen omdat dit gebaseerd is op het onjuiste uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst na 31 maart 2018 voortduurde.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en veroordeelt verzoekster in de proceskosten van het principaal hoger beroep, terwijl geïntimeerde in de kosten van het incidenteel hoger beroep wordt veroordeeld. Verder wijst het hof alle overige verzoeken af.