ECLI:NL:GHDHA:2021:1641

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
8 september 2021
Zaaknummer
200.278.410/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herroeping
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herroeping arrest inzake afgifte bescheiden ex art. 843a Rv

In deze civiele procedure gingen Waalstede Vastgoed B.V. c.s. over tot het vorderen van afgifte van bepaalde bescheiden van [gedaagde 1] c.s. op grond van artikel 843a Rv. Het hof heeft op 6 april 2021 een arrest gewezen waarin het [gedaagde 1] c.s. veroordeelde tot afgifte van deze bescheiden.

Vervolgens verzochten [gedaagde 1] c.s. bij incidentele conclusie van 1 juni 2021 het hof om dit arrest te herroepen, stellende dat het arrest op een onjuiste juridische grondslag zou berusten, met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof oordeelt dat het arrest van 6 april 2021 een eindbeslissing is in het incident ex art. 843a Rv en dat het niet mogelijk is om op een dergelijk arrest terug te komen, omdat dit arrest geldt als een tussenuitspraak in de hoofdzaak.

Het hof benadrukt dat de jurisprudentie die ruimte biedt voor heroverweging van een niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing hier niet van toepassing is. Nieuwe argumenten die eerder hadden kunnen worden aangevoerd, kunnen niet alsnog worden ingebracht. Het verzoek tot herroeping wordt daarom afgewezen.

Het hof wijst erop dat indien [gedaagde 1] c.s. niet beschikken over bepaalde bescheiden, zij dit in een later stadium van de hoofdzaak kunnen aangeven met een gemotiveerd verzoek. Een beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de eindbeslissing.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot herroeping van het arrest van 6 april 2021 af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummers herroepingsprocedure : 200.278.410/01 en 200.278.462/01
Zaaknummer arrest 13 november 2018 : 200.195.832/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/487985 / HA ZA 15-1105
arrest van 21 september 2021 in het incident
inzake

1.Waalstede Vastgoed B.V.,

gevestigd te Hedel,
2.
Yellow Sprint Holding B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
3.
Charleston Vastgoed Rotterdam B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseressen tot herroeping,
gedaagden in het op 1 juni 2021 opgeworpen incident,
hierna te noemen: Waalstede c.s., of afzonderlijk Waalstede, Yellow Sprint en Charleston,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],
2.
Druvar Vastgoed B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden tot herroeping,
eisers in het op 1 juni 2021 opgeworpen incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] c.s. of afzonderlijk [gedaagde 1] en Druvar,
advocaat: mr. J. Oerlemans te Den Bosch.
Het geding
1. Het hof heeft in beide zaken kennis genomen van de volgende stukken:
  • het arrest van 6 april 2021 in het incident ex art. 843a Rv;
  • de incidentele conclusie van [gedaagde 1] c.s. van 1 juni 2021;
  • de incidentele antwoordconclusie van Waalstede c.s. van 20 juli 2021.
Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd in het incident.
Beoordeling van de vordering in het incident
2. In het arrest van 6 april 2021 heeft het hof [gedaagde 1] c.s. veroordeeld om aan Waalstede c.s. afschrift te verstrekken van een aantal in het arrest genoemde bescheiden.
3. Bij wat [gedaagde 1] c.s. aanduiden als een “incidentele conclusie” van 1 juni 2021 hebben zij het hof verzocht de beslissing te heroverwegen en het verzoek alsnog af te wijzen. Zij beroepen zich daarbij op een arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2800).
4. In dat arrest van 25 april 2008 heeft de Hoge Raad overwogen dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Dit oordeel is later herhaald (bijvoorbeeld HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224).
5. Anders dan [gedaagde 1] c.s. kennelijk menen, volgt uit deze jurisprudentie niet dat een einduitspraak op een incidentele vordering als bedoeld in artikel 843a Rv – die heeft te gelden als een tussenuitspraak in de hoofdzaak – het begin is van een nieuwe discussieronde over het geschil waarover al een beslissing is genomen. Het valt op dat [gedaagde 1] c.s. in hun “incidentele conclusie” belangrijke delen van hun conclusie van antwoord in het incident ex. art. 843a Rv – waarvan het hof voorafgaand aan het arrest van 6 april 2021 al kennis had genomen – herhalen. Evenmin biedt de bedoelde jurisprudentie ruimte om nieuwe argumenten die eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht, aan te voeren.
6. Met het arrest van 6 april 2021 heeft het hof een eindbeslissing genomen in het incident ex art. 843a Rv. De situatie van een eerder gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing doet zich dus niet voor. Met de uitspraak van 6 april 2021 is (alleen) het incident ex art. 843a Rv ten einde gekomen. Evenmin doet zich daarom de situatie voor dat de rechter de ruimte moet hebben op die beslissing terug te komen om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een eindbeslissing in het geschil tussen partijen zou geven. Over de hoofdzaak (de vraag of de zaak moet worden heropend in verband met een herroepingsgrond) heeft het hof in het arrest van 6 april 2021 immers nog geen enkele beslissing genomen.
7. Voor het verzoek van [gedaagde 1] c.s. om terug te komen op het arrest van 6 april 2021 is dus geen ruimte, zodat het hof dit verzoek zal afwijzen.
8. Indien juist is dat [gedaagde 1] c.s. niet beschikken over bepaalde bescheiden, zullen zij in een volgend stadium van de hoofdzaak gemotiveerd kunnen aangeven waarom zij aan de veroordeling in het arrest van 6 april 2021 niet hebben kunnen voldoen en zal het hof alsdan beoordelen of het daaraan consequenties moet verbinden en zo ja, welke.
9. Een beslissing over de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de eindbeslissing.
Beslissing
Het hof:
  • wijst het verzoek van [gedaagde 1] c.s. af;
  • bepaalt dat de zaken weer op de rol komen van 5 oktober 2021 voor uitlaten voortgang procedure;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, G. Dulek-Schermers en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021in aanwezigheid van de griffier.