ECLI:NL:GHDHA:2021:1548
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis tot voortzetting renovatie bovenwoning
In deze zaak huurt [geïntimeerde] een bovenwoning van [appellant]. Na ontruiming van de woning door [geïntimeerde] heeft [appellant] sloopwerkzaamheden laten uitvoeren, maar de daaropvolgende renovatie niet voortgezet. [geïntimeerde] vorderde in kort geding dat [appellant] de renovatie alsnog uitvoert, wat de kantonrechter toewijst en uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
[appellant] stelt in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in, stellende dat hij de renovatie financieel niet kan dragen en dat [geïntimeerde] geen spoedeisend belang heeft omdat hij in Marokko verblijft. Het hof beoordeelt dat het uitgangspunt is dat vonnissen uitvoerbaar zijn, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.
Het hof oordeelt dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de renovatie niet kan betalen en dat zijn financiële situatie in zijn eigen risicosfeer ligt. Het belang van [geïntimeerde] bij herstel van het huurgenot weegt zwaarder dan het belang van [appellant] bij schorsing. Daarom wijst het hof het verzoek tot schorsing af en houdt de beslissing over proceskosten aan tot de hoofdzaak is beslist.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis af.