Belanghebbende startte in 2011 met de verkoop van tabak-gerelateerde producten via een webshop en gaf over 2015 een nihil winst uit onderneming aan, ondanks negatieve resultaten. De Inspecteur legde een aanslag IB/PVV op met een belastbaar inkomen van €9.440 en belastingrente.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep stond centraal of sprake was van een objectieve voordeelsverwachting die een bron van inkomen zou vormen. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat positieve opbrengsten objectief verwacht konden worden, mede gelet op structurele verliezen en het staken van de activiteiten in 2017.
Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van een ondernemingsplan, balansen en concrete omzetverwachtingen het vertrouwen in een toekomstige positieve exploitatie niet rechtvaardigen. De aanslag en belastingrente werden als terecht bevestigd, waarbij het hof ook het standpunt van belanghebbende over zelfstandigenaftrek en inkomensafhankelijke combinatiekorting verwierp.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.