Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 april 2020
[appellant] ,
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken),
Het geding
De feiten
De procedure in eerste aanleg
Beoordeling van het hoger beroep
De standpunten van partijen
Grief 1is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat eventuele onzekerheid over de vraag welke vissen ten tijde van het afvoeren aanwezig waren, niet ten nadele van [appellant] mag strekken. De Staat voert aan dat op hem niet de verplichting rustte om alle individuele vissen te fotograferen. Met
grief 2komt de Staat op tegen het oordeel dat aan de hand van de Coweko-lijst kan worden bepaald welke vissen aanwezig waren ten tijde van de afvoer.
Grief 3komt op tegen het oordeel dat de waarde van de vissen niet aan de hand van de taxatie van Feyen kan worden bepaald.
Grief 4is gericht tegen de verwerping van het betoog van de Staat dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht en
grief 5komt op tegen de verwerping van het eigen schuld-verweer van de Staat.
voorwaardelijkeaanbod [appellant] zelf te horen betrekking op de vraag wie eigenaar was van de karpers. [appellant] biedt meer specifiek aan te bewijzen dat [appellant] B.V. niet de eigenaar van de vissen was. Hij geeft niet aan onder welke voorwaarde hij dat aanbod doet. Strikt genomen is wat hij aanbiedt te bewijzen niet wat er bewezen dient te worden. [appellant] dient immers te bewijzen dat hij de eigenaar was van de vissen. Het hof passeert dat bewijsaanbod echter ook omdat niet is gesteld dat [appellant] meer of anders kan verklaren dan hij in zijn schriftelijke verklaring al heeft gedaan. Die schriftelijke verklaring is, zoals hierboven is overwogen, onvoldoende voor de conclusie dat [appellant] eigenaar was van de karpers.
Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 15 november 2017 en 18 april 2018;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op €5.382,- aan verschotten en € 5.877,- aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.