Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 22 december 2020
[appellant],
,
Gerechtshof Den Haag
Deze civiele zaak betreft een geschil tussen woningstichting Rochdale en haar voormalig bestuurder over de rechtmatigheid van aan hem uitgekeerde beloningsbestanddelen zonder goedkeuring van het bevoegd orgaan. Rochdale vordert terugbetaling van deze bedragen, terwijl de bestuurder achterstallig salaris claimt.
Het hof heeft in een tussenarrest van november 2019 reeds een groot deel van de vorderingen beoordeeld. De bestuurder verzocht om herziening van bindende eindbeslissingen uit dat arrest, onder meer vanwege een rechterswissel en vermeende schending van het recht op een eerlijk proces. Het hof oordeelt dat de rechterswissel geoorloofd was en dat geen reden bestaat om van de bindende beslissingen terug te komen.
Verder is de verjaring van de vordering van Rochdale besproken, waarbij het hof oordeelt dat de vordering tot schadevergoeding wegens onterechte loonsverhogingen niet verjaard is. Ten aanzien van het achterstallig salaris wordt een bedrag toegekend voor de niet-uitgekeerde dertiende maand, waarbij verrekening plaatsvindt met onterecht ontvangen bonussen.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor een deel en veroordeelt de bestuurder tot betaling van diverse bedragen, waaronder omzetting bonus in vast maandsalaris, leaseauto, einduitkering, prestatiebeloning, premie koopsompolissen en overlijdensrisicoverzekering, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens wordt de bestuurder veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De bestuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van onterecht ontvangen beloningen en toekenning van een deel van zijn vordering op achterstallig salaris, met wettelijke rente en proceskosten.