Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,wonende te [woonplaats] ,
RTMO Logistics B.V.,gevestigd te Rotterdam,
Ago Holding B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
Agora Shipping & Trading B.V.,gevestigd te Rotterdam,
1.[geïntimeerde 1] ,
RTMO Logistics B.V.,gevestigd te Rotterdam,
1.1. [X] , [Z] en [A] zijn ieder voor 1/3 deel aandeelhouder in Agora. [X] is bestuurder van Agora. [Y] is de partner/echtgenote van [X] . Ze was tot 31 november 2015 werkzaam bij Agora in de functie van administratief medewerker. Agora houdt zich bezig met dienstverlening in de logistiek sector.
A. [X] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder van Agora, althans te schorsen voor de duur van twee jaar als bestuurder van Agora, althans een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;
- bij cliënten of contactpersonen van Agora nieuwe werkzaamheden te acquireren en uit te voeren;
A. de vordering van Agora c.s. betreffende het opheffen van de conservatoire (derden)beslagen toe te wijzen en te oordelen dat [Z] de gelegde conservatoire (derden)beslagen binnen twee werkdagen opheft, dan wel in goede justitie een andere redelijke termijn te bepalen waarbinnen de conservatoire (derden)beslagen dienen te worden opgeheven;
B. de conservatoire (derden)beslagen binnen twee werkdagen of een andere in goede justitie te bepalen termijn op te (laten) heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
C. bij toewijzing van de vordering tot benoeming van een interim-manager [Z] te veroordelen tot het stellen van voldoende zekerheid voor het salaris en de kosten van de interim-manager;
D. [Z] te veroordelen om de inloggegevens van het e-mailaccount van Agora te verstrekken, alsmede de gevorderde bescheiden te verstrekken aan Agora.
Zij stellen daartoe dat [Z] , dan wel door hem beheerste vennootschappen, facturen van Agora tot een bedrag van € 489.228,13 onbetaald laat waardoor Agora in een penibele financiële positie is geraakt en in haar voortbestaan wordt bedreigd. Zij hebben incidenteel gevorderd dat [Z] zekerheid stelt voor de proceskosten.
(i) [X] verboden om vanaf één werkdag na de betekening van het vonnis (al dan niet via RTMO) betalingen te ontvangen van cliënten van Agora voor werkzaamheden en/of diensten die hij en/of RTMO ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per overtreding, met een maximum van € 50.000,--;
(ii) [X] veroordeeld om vanaf één werkdag na de betekening van het vonnis betalingen die hij al dan niet via RTMO van (voormalige) cliënten van Agora ontvangt, binnen vijf werkdagen na ontvangst door te storten op de bankrekening van Agora op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per overtreding, met een maximum van € 250.000,--;
(iii) Agora, Ago en RTMO veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis verklaring te doen van de zaken en vorderingen die door de conservatoire beslagen zijn getroffen.
Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen.
In reconventie heeft de voorzieningenrechter [Z] veroordeeld de inloggegevens van de e-mailaccount(s) @agora-shipping.com te verstrekken, binnen vijf dagen nadat (en dus onder voorwaarde dat) [X] aan [Z] heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. De overige vorderingen, waaronder de incidentele vordering van [X] c.s. tot zekerheidstelling voor de proceskosten, zijn afgewezen.
c.s.een spoedeisend belang hebben (bij hun vordering in reconventie): volgens hen was sprake van een onhoudbare situatie bij Agora wegens zware financiële problemen die werden veroorzaakt door [Z] . In de pleitnota onder 57 wordt over het spoedeisend belang van [Z] opgemerkt: ‘Waarom de financiële problemen nu opeens een spoedeisend belang zijn, blijft voor gedaagden een raadsel.’ Vervolgens wordt onder 59/60 gesteld: ‘Een spoedeisend belang was er in 2013. En wel aan de zijde van Agora of [X] , niet aan de zijde van [Z] . (…) Eiser heeft geen spoedeisend belang in deze kwestie.’ Hieruit blijkt dat [X] c.s. niet inhoudelijk zijn ingegaan op de stelling van [Z] dat hij een spoedeisend belang heeft, zodat [X] het spoedeisend belang in ieder geval niet gemotiveerd hebben betwist. De voorzieningenrechter heeft dus terecht een spoedeisend belang van [Z] aangenomen. De grief is ongegrond. Ook in het hoger beroep is het spoedeisend belang van partijen gegeven.
contradictoirgevoerde civiele bodemprocedure, anders dan in kort geding, in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, afgezien van de mogelijkheid daartegen een rechtsmiddel in te stellen (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128), moet worden aangenomen dat deze niet geldt in het geval dat in de bodemzaak een verstekvonnis is gewezen. Anders zou een bij verstek veroordeelde partij een effectieve toegang tot de rechter in kort geding worden onthouden.
behoorlijkebasis is genoemd; gesteld noch gebleken is immers dat hiertoe tussen Agora en RTMO een afspraak is gemaakt en hoe de hoogte van de fee wordt bepaald (en dat deze fee deugdelijk en duidelijk is gedeclareerd). Dat [Z] door de in deze procedures getroffen voorzieningen (tijdelijk) inzicht krijgt in de bankmutaties bij zowel Agora als RTMO, doet aan de strekking van de veroordeling van [X] niet af. Ook indien, zoals [X] c.s. stellen, de klanten van Agora geen zaken meer willen doen met Agora en [Z] er daarom juist voordeel van heeft dat de dienstverlening via RTMO verloopt, had het onder de gegeven omstandigheden op de weg van [X] gelegen om hiervoor (contractueel en in verslaglegging) een zodanige structuur te creëren dat voor de aandeelhouders van Agora zonder meer duidelijk is dat hun belangen hierdoor niet (kunnen) worden geschaad. Dit heeft [X] nagelaten.
voor Agoraheeft verricht en is RTMO speciaal opgericht om transporten
voor klanten van Agorauit te voeren (memorie van grieven onder 89/90 en 83). Het hof is voorshands van oordeel dat dit samenstel van handelingen kan worden aangemerkt als (met die van Agora) ‘concurrerende activiteiten’ en dat [X] als bestuurder en aandeelhouder van Agora zich hiervan diende te onthouden. [X] c.s. hebben in het licht van het voorgaande niet voldoende gemotiveerd betwist dat [X] met de hier aan de orde zijnde gedragingen tevens het beleid bij RTMO feitelijk (mede)bepaalde. Zij hebben ook niet aangevoerd dat [X] niet in de positie verkeert en (steeds) heeft verkeerd om aan deze situatie een einde te kunnen maken. In zoverre kan hij worden aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler bij RTMO. Dat [X] blijkens de e-mail van [A] , waarnaar [X] c.s. verwijzen (productie 29 bij eis in reconventie), heeft gehandeld met medeweten en instemming van [A] , de derde aandeelhouder, bevestigt dat de handelwijze van [X] is ingegeven door een conflict tussen hen enerzijds en [Z] anderzijds. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de handelwijze van [X] in het licht van deze omstandigheden onzorgvuldig jegens [Z] . Het betreft hier een aansprakelijkheid van [X] , niet (alleen) op grond van een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder, maar één die (mede) berust op een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm. In het bijzonder is dan niet vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881). Hieruit volgt dat ook indien aan [X] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, dit niet aan zijn aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad in de weg staat.
‘Het hof begrijpt dat [Z] de desbetreffende veroordeling (rov. 5.2) aldus opvat dat geen dwangsom wordt verbeurd indien een cliënt van Agora, die deugdelijk en tijdig is geïnstrueerd over het betalingsadres, desondanks aan RTMO betaalt. Of reeds door de ontvangst door [X] van een betaling van een cliënt van Agora een dwangsom wordt verbeurd, zal in voorkomend geval achteraf door een executierechter moeten worden beoordeeld. Het hof merkt in dit verband op dat de vraag of in een bepaald geval dwangsommen zijn verbeurd, moet worden beantwoord door hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht, te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in dier voege dat veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (Hoge Raad 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367). Het hof merkt verder op dat het dictum van een in een rechterlijke uitspraak geformuleerd verbod moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (Hoge Raad 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553).
Verder geldt dat [X] inmiddels voldoende tijd heeft gehad om, zonodig, (voormalige) cliënten van Agora te informeren en te instrueren dat betalingen van door hem en/of RTMO verrichte werkzaamheden aan Agora dienen plaats te vinden.’
Verder is van belang dat [X] c.s. hun hiervoor in rov. 16 weergegeven bezwaren niet hebben aangevoerd ter bestrijding van de hoofdveroordeling (5.2 van het bestreden vonnis) als zodanig, zodat – bij gebreke van (overige) succesvolle grieven daartegen – van de juistheid en geldigheid daarvan moet worden uitgegaan. [X] c.s. hebben tegen deze achtergrond in zoverre geen belang meer bij deze grief.
In de zaak met zaaknummer 200.236.850/02
A. RTMO c.s. te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, aan alle (voormalige) klanten van Agora onderstaande mededeling (per post en per e-mail) te verzenden, en van elk bericht binnen 24 uur na verzending een kopie te
[Z] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [X] nalaat aan het kortgedingvonnis van 14 juli 2017 te voldoen. Volgens [Z] heeft [X] van de 103 betalingen die hij (al dan niet via RTMO) heeft ontvangen van (voormalige) cliënten van Agora voor werkzaamheden en/of diensten die hij en/of RTMO voor hen verricht(t)en, slechts 16 betalingen doorgestort aan Agora, waarvan 3 te laat. Verder tracht [X] door het verrichten van schijnhandelingen aan de veroordeling te ontkomen, in het bijzonder door de 16 doorgestorte betalingen dezelfde dag weer terug te storten, aldus [Z] . In totaal is volgens hem 206 keer in strijd gehandeld met het vonnis. Naar [Z] heeft gesteld zijn de dwangsommen kennelijk onvoldoende prikkel om de veroordelingen na te komen, zodat deze, evenals de maxima, moeten worden verhoogd en dat ook de klanten moeten worden geïnformeerd dat zij voortaan aan Agora moeten betalen. Ter controle van correcte nakoming is het noodzakelijk dat [Z] de bankrekeningen van Agora kan inzien, aldus [Z] . Omdat [X] welbewust (opzettelijk) een half jaar lang zich niet aan het vonnis heeft gehouden, ondanks de opgelegde dwangsommen, wordt tenuitvoerlegging bij lijfsdwang gevorderd.
(i) [X] verboden om vanaf de datum van betekening van dit vonnis enige
(ii) [X] geboden om, voor het eerst op 16 maart 2018 en vervolgens binnen tien werkdagen na het einde van elke kalendermaand, aan [Z] maandelijks de
(i) [Z] veroordeeld om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de inloggegevens van de e-mailaccount(s) van Agora aan [X] te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag, met een maximum van € 50.000,--;
(ii) de tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 juli 2017 geschorst voor zover het de tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling op grond van in deze procedure door [Z] gestelde, tot op 16 februari 2018 gepleegde overtredingen betreft, en voor zover die tenuitvoerlegging ziet op hogere bedragen dan € 8.000, totdat in een bodemprocedure is vastgesteld of [X] de gestelde overtredingen heeft begaan en/of deswege dwangsommen heeft verbeurd.
1. aan [X] volledige kopieën van de beheer-/e-mailboxen te verstrekken;
2. alle andere kopieën van de beheer-/e-mailboxen te vernietigen;
3. aan [X] alle inlogcodes voor de e-mail-/beheeraccounts die er ten behoeve van Agora zijn, te verstrekken;
4. alles op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per overtreding met een maximum van € 250.000,-- dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag.
van RTMOte omzeilen geen sprake kan zijn. [Z] stelt dat nu [X] alle macht in handen heeft bij Agora, vast staat dat Agora geen actie jegens RTMO zal instellen. Naar hij stelt, is hier sprake van een bijzondere situatie waarin de aandeelhouder wel degelijk een zelfstandig vorderingsrecht heeft tegen RTMO die de vennootschap (Agora) onrechtmatige concurrentie aandoet. Bovendien schendt RTMO een specifieke norm jegens hem door actief mee te werken aan de onrechtmatige acties van [X] jegens hem, onder meer door – onterecht – een fee in te houden op doorbetalingen aan Agora, aldus [Z] .
@agora-shipping.comaan [X] moet verstrekken (bestreden vonnis rov. 6.4 en 8.6). Volgens [Z] is deze reconventionele vordering van [X] en RTMO ten onrechte toegewezen omdat deze vordering toekomt aan Agora en niet aan [X] . Zo is in het eerste kortgedingvonnis geoordeeld dat [Z] (onder voorwaarde) de inloggegevens dient te verstrekken aan Agora, niet aan [X] . Agora is echter geen partij in dit tweede kort geding, zodat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt, aldus [Z] . Verder is volgens [Z] niet voldaan aan de voorwaarde die in het eerste kortgedingvonnis is gesteld, te weten dat [X] op genoegzame wijze onder overlegging van bewijsstukken heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt immers dat de omzet niet volledig is doorbetaald en voor zover de omzet wel is doorbetaald, deze onmiddellijk is teruggeboekt naar RTMO, aldus [Z] . Subsidiair verzoekt [Z] het hof de vertrekking van de inloggegevens te beperken tot de e-mailaccounts sales@, [naam 1] @, [naam 2] @, administration@ en [naam 3] @.
@agora-shipping.comaan Agora te verstrekken binnen vijf werkdagen nadat [X] aan [Z] op genoegzame wijze onder overlegging van bewijstukken heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. De voorzieningenrechter heeft in dit tweede kort geding geoordeeld dat door overlegging van bankafschriften van RTMO over de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 januari 2018 op genoegzame wijze is aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora en dat daaraan niet afdoet dat aannemelijk is dat er nog bedragen openstaan. De voorzieningenrechter heeft om die reden de veroordeling gehandhaafd zonder opschortende voorwaarde, omdat daaraan naar haar oordeel inmiddels was voldaan, en hieraan een dwangsomveroordeling verbonden. [Z] stelt, onder verwijzing naar een door hem overgelegde e-mail aan [X] van 6 maart 2018, dat hij naar aanleiding van het tweede kortgedingvonnis de inloggegevens onmiddellijk heeft verstrekt. De door hem verstrekte inloggegevens betreffen de e-mailaccounts sales@, [naam 1] @, [naam 2] @, administration@ en [naam 3] @. [Z] voert terecht aan dat de vordering van [X] in eerste aanleg in de tweede kort geding slechts zag op deze e-mailadressen en het e-mailadres info@. De veroordeling moet daarom geacht worden slechts hierop betrekking te hebben. [Z] voert verder onweersproken aan dat laatstgenoemd adres geen zelfstandige login heeft omdat het is gekoppeld aan sales@. Nu hij daarvan wel de login heeft verschaft, moet [Z] geacht worden aan de gehele veroordeling te hebben voldaan. Bij die stand van zaken heeft [Z] geen belang bij zijn grief, anders dan met het oog op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het hof oordeelt de grief ongegrond, op de hierna in rov. 44 uiteen te zetten redenen.
@agora-shipping.comtoekomen. Dit kort geding leent zich niet voor een beoordeling aan wie de rechten op deze e-mailaccounts toekomen. Het hof zal [Z] evengoed veroordelen om de inloggegevens van het beheeraccount aan [X] te verschaffen. Het moge zo zijn dat [Z] in het (verre) verleden met instemming van [X] (Agora) het beheer over de e-mailaccounts heeft gevoerd, uit het inmiddels gerezen geschil blijkt dat [X] , als bestuurder van Agora, dit niet meer zo wil. Ongeacht wie als ‘rechthebbende’ met betrekking tot de e-mailaccounts kan worden aangemerkt, naar het voorlopige oordeel van het hof is het Agora, en daarmee [X] , die beslist wie het beheer voert (en wie wel en geen toegang verkrijgt tot de informatie die met dat beheer kan worden ontsloten). De aard van deze aanspraak op inloggegevens verzet zich ertegen dat hieraan enige voorwaarde wordt gekoppeld (zoals in het in het eerste kortgedingvonnis was gedaan). Voor een definitieve maatregel als vernietiging van door [Z] gemaakte kopieën van de e-mailbox van Agora is in dit kort geding geen plaats. [Z] heeft aangevoerd dat er geen andere e-mailaccounts zijn dan die waarvan hij de inloggegevens heeft verstrekt. [X] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat er nog andere e-mailaccounts @agora.com in gebruik zijn. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Wel zal het hof nog toewijzen de vordering van [X] tot afgifte van kopieën van de e-mailboxen waarover [Z] beschikt, omdat niet kan worden uitgesloten dat onderdelen daarvan in het e-mailprogramma zelf inmiddels zijn verwijderd, maar nog wel in kopie bij (de advocaat van) [Z] ter beschikking staan. Ook hieraan worden voor [X] geen verdere voorwaarden verbonden.
rechtbank Rotterdam van 2 maart 2018, en