ECLI:NL:GHDHA:2020:1268
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging faillietverklaring ondanks betwisting vordering en vermeende kennelijke misslag
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van appellant tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag waarin hij in staat van faillissement werd verklaard. Appellant voerde aan dat het faillissement onterecht was omdat het onderliggende vonnis van de kantonrechter van 3 oktober 2019 ten onrechte tegen hem persoonlijk was gewezen, terwijl dit tegen de commanditaire vennootschap had moeten zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat summierlijk was gebleken van het vorderingsrecht van geïntimeerde en dat appellant was opgehouden met betalen. Het hof bevestigde dat het vonnis van de kantonrechter in kracht van gewijsde was gegaan en dat het vorderingsrecht van geïntimeerde op appellant vaststond. Er was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een kennelijke misslag.
De curator stelde dat het vonnis niet tegen appellant persoonlijk was gewezen, maar het hof vond dat dit niet aannemelijk was. Appellant erkende dat hij geen rechtsmiddel tegen het vonnis had ingesteld vanwege ziekte. Het hof concludeerde dat appellant ook andere schulden onbetaald had gelaten en derhalve in staat van faillissement verkeert. Het bestreden vonnis werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het faillissementsvonnis en wijst het beroep op kennelijke misslag af.