ECLI:NL:GHDHA:2019:903
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie na echtscheiding met aangepaste draagkracht en behoefte
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin partneralimentatie van € 15.545,- bruto per maand aan de vrouw was toegekend. De man was in betalingsnood en stelde dat de rechtbank ten onrechte uitging van een volledige consumptieve besteding van zijn dividenduitkering, terwijl een groot deel daarvan dient te worden gebruikt voor aflossing van een aanzienlijke rekening-courantschuld aan zijn holding.
Het hof heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 6.150,- netto per maand, aanzienlijk lager dan de rechtbank had aangenomen, maar nog steeds passend bij de levensstandaard tijdens het huwelijk. De vrouw kan een deel van haar levensonderhoud zelf verdienen, maar slechts tegen het minimumloon, waardoor een substantiële aanvullende behoefte blijft bestaan.
De draagkracht van de man is beperkt door een hoge rekening-courantschuld van circa € 4,3 miljoen aan zijn holding en een hypotheekschuld die de waarde van zijn woning overstijgt. Het hof acht het noodzakelijk dat de man zijn inkomsten volledig aanwendt voor schuldaflossing om fiscale en faillissementsrisico's te voorkomen. Op basis hiervan stelt het hof de draagkracht van de man vast op € 2.478,- bruto per maand.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking en bepaalt dat de man vanaf de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand deze lagere alimentatie moet betalen. Terugbetaling van teveel betaalde alimentatie wordt niet verlangd vanwege het consumptieve karakter en de vermogenspositie van de vrouw.
Uitkomst: De partneralimentatie is vastgesteld op € 2.478,- bruto per maand vanaf 14 februari 2018.