ECLI:NL:HR:2018:313

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2018
Publicatiedatum
9 maart 2018
Zaaknummer
17/02154
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wijziging partneralimentatie bij convenant afgewezen wegens ontbreken rechtsvragen

De zaak betreft een verzoek tot wijziging van partneralimentatie die bij convenant was overeengekomen. De man, verzoeker tot cassatie, stelde dat de behoefte aan alimentatie was 'verbleekt' en dat essentiële stellingen over draagkracht waren gepasseerd. De rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hadden eerder over de zaak beslist.

De man stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof, maar de vrouw verzocht het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat, gelet op artikel 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft daarop het cassatieberoep verworpen en de beschikking van het hof bekrachtigd. De uitspraak bevestigt dat niet elke wijziging van alimentatie kan worden toegewezen zonder dat er relevante rechtsvragen spelen die cassatie rechtvaardigen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd, waardoor de partneralimentatie ongewijzigd blijft.

Uitspraak

9 maart 2018
Eerste Kamer
17/02154
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/16/333387/FA RK 12-7175 van de rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2016;
b. de beschikking in de zaak 200.192.330 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2017.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsherenA.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
9 maart 2018.