Belanghebbende betaalde op 8 juni 2017 BPM voor een uit Duitsland afkomstige Opel Corsa S-D. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen deze betaling ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een juiste schriftelijke machtiging van de gemachtigde.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de gemachtigde wel bevoegd was, en overlegde een machtiging die dit bevestigde. Het Hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de gemachtigde in hoger beroep wel bevoegd was om op te treden in fiscale geschillen, waaronder BPM-zaken.
Het Hof vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en bepaalde dat het griffierecht in hoger beroep door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed.
De mondelinge behandeling vond plaats zonder aanwezigheid van belanghebbende, die wegens ziekte afwezig was. Het Hof besloot de zitting door te laten gaan. De uitspraak werd op 29 maart 2019 in het openbaar uitgesproken door de genoemde rechters.