Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 maart 2019
[appellant] ,
Vereniging Focwa Schadeherstel,
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
“ten onrechte enige vordering van [appellant] werd toegewezen”. Gelezen in samenhang met de daarop gegeven toelichting en het door Focwa geformuleerde petitum houdt deze grief kort gezegd in dat, (mede) gelet op de berusting in het ontslag per 15 april 2015 en de vernietiging door dit hof van het vonnis van 25 februari 2015 in kort geding 1 (toelating tot het werk), in conventie de vordering van [appellant] tot doorbetaling van loon ten onrechte is toegewezen.
“voor wat betreft (…) de afwijzing van enige vordering”harerzijds, heeft zij tegen de afwijzing van haar vordering tot staking van de executie van het vonnis in kort geding 1 en haar vordering tot inlevering van de leaseauto geen als zodanig kenbare grieven geformuleerd. Bovendien vordert zij in datzelfde petitum ook niet dat het hof, opnieuw rechtdoende, deze vorderingen alsnog toewijst. Het hof ziet dan ook geen grond deze vorderingen alsnog toe te wijzen. Het hof betrekt daarbij dat [appellant] in zijn memorie van grieven onweersproken heeft gesteld dat hij bedoelde executie inmiddels ook al heeft gestaakt en ook de auto reeds heeft ingeleverd.