ECLI:NL:GHDHA:2019:3384

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2019
Publicatiedatum
19 december 2019
Zaaknummer
200.252.166/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 129 RvArt. 223 RvArt. 353 RvArt. 6:119 BWArtikel 2.14 Landelijk procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis na intrekking vorderingen in aanbestedingsgeschil

In deze civiele zaak in hoger beroep tussen The Learning Network B.V. (TLN) en Stichting Carmelcollege c.s. staat een geschil centraal over aanbestedingsprocedures en gunning van opdrachten. TLN was in eerste aanleg eiseres en kwam in hoger beroep met twaalf grieven tegen het vonnis van 27 november 2018. Tevens verzocht TLN om een voorlopige voorziening en spoedappel, welke door het hof werden afgewezen.

Na een kort geding waarin Van Dijk B.V., een verbonden onderneming van TLN, vorderingen tegen Carmel c.s. had ingesteld, werden de opdrachten definitief gegund aan ThiemeMeulenhoff en Malmberg. Vervolgens trok TLN haar vorderingen in het hoger beroep in, omdat zij geen belang meer zag bij haar grieven gezien de definitieve gunning.

Het hof oordeelde dat TLN haar eis tot nihil had verminderd door intrekking van haar vorderingen en dat Carmel c.s. zich daartegen niet konden verzetten. Daarom werd het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en TLN veroordeeld in de proceskosten, waarbij een specificatie van de kosten werd gegeven en de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van 27 november 2018 en veroordeelt TLN in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.252.166/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/561057/ KG ZA 18-1039 en C/09/561394/ KG ZA 18-1068
arrest van 24 december 2019 in de hoofdzaak
inzake
The Learning Network B.V.,
gevestigd te Kampen,
appellante,
oorspronkelijk eiseres in zaak C/09/561057 en tussenkomende partij in zaak C/09/561394,
hierna te noemen: TLN,
advocaat: mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam,
tegen

1.Stichting Carmelcollege,

gevestigd te Hengelo,
geïntimeerde sub 1,
oorspronkelijk gedaagde in beide zaken in eerste aanleg,
hierna te noemen: Carmel,
advocaat: mr. H.A.A. Berendsen te Heerlen,

2.Iddink Voortgezet Onderwijs B.V.,

gevestigd te Ede,
geïntimeerde sub 2,
oorspronkelijk eiseres in zaak C/09/561394 en tussenkomende partij in zaak C/09/561057,
hierna te noemen: Iddink,
niet verschenen,

3.L.C.G. Malmberg B.V.,

gevestigd te Den Bosch,
geïntimeerde sub 3,
oorspronkelijk tussenkomende partij in beide zaken in eerste aanleg,
hierna te noemen: Malmberg,
advocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers te Brussel,

4.ThiemeMeulenhoff B.V.,

gevestigd te Amersfoort,
geïntimeerde sub 4,
oorspronkelijk gevoegde partij aan de zijde van Carmel in beide zaken in eerste aanleg,
hierna te noemen: ThiemeMeulenhoff,
advocaat: mr. J.J. Veldhuis te Leeuwarden,
geïntimeerden sub 1, 3 en 4 hierna ook gezamenlijk te noemen: Carmel c.s.
De procedure in hoger beroep
1. Bij dagvaarding in spoedappel van 27 december 2018 is TLN in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 27 november 2018. In de dagvaarding heeft TLN twaalf grieven tegen het vonnis aangevoerd. Daarnaast heeft TLN op 8 januari 2019 bij incidentele memorie een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro gevorderd.
2. Het verzoek om de zaak als spoedappel te behandelen is door het hof afgewezen onder verwijzing naar het feit dat TLN pas op de laatste dag van de appeltermijn hoger beroep heeft ingesteld. De incidentele vordering is door het hof afgewezen bij arrest van 19 maart 2019, met veroordeling van TLN in de proceskosten.
3. Carmel c.s. hebben de grieven bestreden bij afzonderlijke memories van antwoord met producties. Iddink heeft niet gereageerd en tegen haar is verstek verleend. Na het arrest in het incident heeft TLN een antwoordakte genomen. Carmel c.s. hebben gereageerd bij antwoordakten. Vervolgens is arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
4. Voor een beschrijving van de feiten, de procedure in eerste aanleg en de vorderingen van TLN verwijst het hof naar het arrest in het incident. Na dit arrest heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag op 29 maart 2019 uitspraak gedaan in een kort geding dat Van Dijk B.V., een met TLN verbonden onderneming (hierna te noemen: Van Dijk), aanhangig heeft gemaakt tegen Carmel en waarin ThiemeMeulenhoff en Malmberg zijn tussengekomen (ECLI:NL:RBDHA:2019:3252). In dit kort geding vorderde Van Dijk Carmel te verbieden de opdrachten voor de percelen A en B te gunnen en Carmel te gebieden de aanbestedingsprocedure voor die opdrachten te staken en gestaakt te houden en, voor zover Carmel de opdrachten nog wenste te gunnen, een nieuwe aanbestedingsprocedure te beginnen met inachtneming van de eisen die daaraan op grond van de Aanbestedingswet 2012 worden gesteld en de in het vonnis opgenomen aanwijzingen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Van Dijk afgewezen en Van Dijk in de proceskosten veroordeeld. De opdrachten zijn vervolgens definitief gegund aan ThiemeMeulenhoff en Malmberg.
5. In de antwoordakte concludeert TLN dat zij geen belang meer heeft bij haar grieven tegen het bestreden vonnis van 27 november 2018, nu het verzoek om de hoger beroep procedure als spoedappel te behandelen en de incidentele vordering om Carmel te verbieden de opdrachten te gunnen vóór het arrest van het hof in de hoofdzaak zijn afgewezen, en de opdrachten inmiddels definitief zijn gegund. TLN merkt op dat zij Carmel vóór het nemen van deze akte heeft verzocht mee te werken aan een royement van de zaak, maar dat Carmel dit heeft geweigerd. TLN trekt haar vorderingen daarom in en verzoekt het hof er rekening mee te houden dat zij de zaak bij voorkeur zou royeren. Volgens ThiemeMeulenhoff is van intrekking van de vorderingen geen sprake nu TLN niet conform artikel 2.14 van het Landelijk procesreglement de intrekking in de titel van haar akte heeft vermeld. Verder voert ThiemeMeulenhoff aan dat TLN nog belang heeft bij de beoordeling van haar vorderingen met het oog op de in het bestreden vonnis uitgesproken kostenveroordeling en dat het ook vanuit proceseconomisch oogpunt van belang is dat de vorderingen van TLN inhoudelijk worden beoordeeld. Carmel sluit zich bij dat laatste aan: ook zij wenst om proceseconomische redenen een inhoudelijk arrest. Verder wensen zowel ThiemeMeulenhoff als Carmel en Malmberg dat arrest wordt gewezen zodat TLN in de proceskosten kan worden veroordeeld.
6. Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 129 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat op grond van artikel 353 Rv Pro ook in hoger beroep van toepassing is, kan een partij te allen tijde zijn eis verminderen, ook tot nihil, zolang nog geen einduitspraak is gedaan. De eisvermindering dient bij akte plaats te vinden. Inachtneming van het bepaalde in artikel 2.14 van het Landelijk procesreglement is geen constitutief vereiste. De wederpartij kan zich niet tegen eisvermindering verzetten.
7. Door haar vorderingen in de antwoordakte in te trekken heeft TLN haar eis tot nihil verminderd. Uit het voorgaande volgt dat Carmel c.s. zich daartegen niet kunnen verzetten. Aangezien TLN haar vorderingen heeft ingetrokken, zal het hof het bestreden vonnis van 27 november 2018 bekrachtigen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof TLN in de proceskosten veroordelen. Bij de begroting van de proceskosten aan de zijde van Carmel c.s. zal het hof geen punten toekennen aan de antwoordakten van Carmel c.s. aangezien deze geen relevante bijzondere inhoud hebben. Ten gunste van Iddink zal het hof geen proceskostenveroordeling uitspreken, nu Iddink niet is verschenen.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 november 2018;
- veroordeelt TLN in de proceskosten, aan de zijde van Carmel c.s. voor ieder van Carmel, ThiemeMeulenhoff en Malmberg begroot op € 1.074,- aan salaris voor de advocaat en € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak, dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, E.M. Dousma-Valk en H.D. van Romburgh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.