Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 26 november 2019
[verzoekster] ,
Lotte Global Logistics (Netherlands) B.V.,
Verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Principle to pay travel expenses: At cost”
After consultation with a reliable person in the HQ, it may cause a problem in the future if we do not pay out travel expenses at cost with proof.
(…)
It might disappoint you but please understand that your travel expenses should be paid out with “at cost” principle from April 2018.
When the HQ inspected Chinese branche, if the salary an employee benefit was not approved by the HQ, the HQ concerned that it was unjustified payment. And then, they took disciplinary action and collected the unjustified salary and employee benefit.
If the travel allowances are paid out unclearly, inequity problem among employees can be raised.
“in good touch”met [verzoekster] zou kunnen komen. Volgens mr. Lips heeft [verzoekster] diverse malen contact gehad met de arbodienst en heeft zij alle instructies opgevolgd.
primairte verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoekster] per 1 juni 2018 is geëindigd door opzegging door [verzoekster] en
subsidiair(voorwaardelijk, namelijk voor het geval de kantonrechter mocht oordelen dat de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd) deze arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair wegens verwijtbaar handelen door [verzoekster] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro. Het verwijtbare handelen door [verzoekster] heeft Lotte daarbij aldus toegelicht dat [verzoekster] (1) niet heeft voldaan aan de in verband met haar arbeidsongeschiktheid op haar rustende (re-integratie)verplichtingen en dat daarnaast inmiddels is gebleken dat [verzoekster] (2) frauduleus heeft gehandeld met de cijfers die zijn gepresenteerd aan het hoofdkantoor. Om deze reden heeft Lotte de kantonrechter voorts verzocht bij de bepaling van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en daarnaast uit te spreken dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat zij geen recht heeft op een transitievergoeding. Daarnaast verzocht Lotte om [verzoekster] (zowel in de primaire als in de subsidiaire variant) te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.678,08 althans van € 5.130,24 wegens ten onrechte althans teveel ontvangen reiskostenvergoedingen over de periode februari 2017 tot en met maart 2018.
- Lotte te veroordelen tot doorbetaling van haar loon van € 3.071,43 bruto per maand c.a. vanaf 1 juni 2018 en van de reiskostenvergoeding van € 354,88 netto vanaf 1 april 2018;
- Lotte te veroordelen op straffe van een dwangsom van de betalingen netto/bruto specificaties te verstrekken;
- Te verklaren voor recht dat de periode van haar verblijf in Zuid-Korea, gedurende welke periode zij ziek was, niet mag worden afgeschreven op haar vakantiesaldo.
- [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de teveel ontvangen reiskostenvergoedingen ad totaal € 5.678,08 netto, dan wel € 5.130,24 netto, met rente;
- [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 49.975,-- met rente als vergoeding van de schade die zij als gevolg van bedoelde frauduleuze handelingen heeft geleden;
- [verzoekster] zowel in het principaal als in het incidenteel beroep te veroordelen in de “complete proceskosten”.
grief II in het incidenteel hoger beroep.
opzettelijk– derhalve willens en wetens - heeft gesjoemeld met de cijfers door de resultaten van de afdeling Freight Forwarding (waarvan zij de manager was) gunstiger voor te stellen dan zij in werkelijkheid waren. Tegenover de gemotiveerde en stellige betwisting hiervan door [verzoekster] heeft Lotte echter ook in hoger beroep niet (nader) uiteengezet op grond van welke feiten en omstandigheden deze opzet moet worden aangenomen. De enkele omstandigheid dat volgens het hoofdkantoor binnen de verder juiste totaalcijfers van Freight Forwarding en het Transportation Team (welke cijfers tezamen de cijfers van Lotte vormden) de netto-resultaten van iedere afdeling afzonderlijk onjuist zijn weergegeven, is daartoe onvoldoende, ook als daarbij wordt betrokken dat deze onjuiste weergave gunstig was voor [verzoekster] omdat de resultaten van haar afdeling daardoor beter leken dan zij in werkelijkheid waren.
grief II in het principaal hoger beroep, waarin [verzoekster] erover klaagt dat de kantonrechter (in r.o. 5.15) ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Lotte in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het hof begrijpt, voert zij daartoe aan dat de kantonrechter deze duurzame verstoring te makkelijk heeft aangenomen en dat in het bijzonder niet goed valt in te zien waarom een vruchtbare samenwerking inmiddels is uitgesloten. Volgens [verzoekster] heeft zij altijd goed gefunctioneerd en steeds een goede relatie gehad met haar collega’s. Het probleem is meer dat van de zijde Lotte tot op heden niet serieus is getracht tot een oplossing te komen, aldus [verzoekster] .
grief I in het principaal appel. Betoogd wordt dat er wel degelijk een (relevant) verband is, nu de verstoorde arbeidsverhouding eerst is ontstaan nadat [verzoekster] zich had ziek gemeld en Lotte haar opeens de in het ontbindingsverzoek geformuleerde verwijten is gaan maken. Daarmee heeft Lotte de verhoudingen op scherp gezet en een g-grond gecreëerd. [verzoekster] wijst er daarbij op dat het opzegverbod tijdens ziekte mede beoogt de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een opzegging of, zoals hier, een ontbindingsverzoek tijdens ziekte kan veroorzaken en te voorkomen dat diens re-integratie wordt belemmerd. Dit brengt volgens haar mee dat het verbod alleen mag worden doorbroken als de ziekte geen enkele rol speelt.
Grief III in het principaal appellegt aan het hof de vraag voor of [verzoekster] in verband met de ontbinding aanspraak heeft op een billijke vergoeding. Nu grief II in het principaal appel faalt en daarmee geen aanspraak bestaat op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 BW Pro zal het hof bezien of die aanspraak wel bestaat op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW.
grief I in het incidenteelappel komt Lotte tot slot nog op tegen de afwijzing door de kantonrechter van haar verzoek om [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van het (volgens haar) onterecht of te veel betaalde bedrag aan reiskostenvergoedingen over de periode februari 2017 tot en met maart 2018.
Beslissing
onder dezelfde voorwaarde als waaronder de arbeidsovereenkomst is ontbonden, aan [verzoekster] onder afgifte van een deugdelijke bruto-/netto-specificatie een billijke vergoeding te voldoen ter hoogte van € 25.000,- (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf veertien dagen na de dag waarop voornoemde voorwaarde is vervuld tot aan de dag van algehele voldoening;