Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 26 november 2019
[appellante] ,
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte de verklaring voor recht heeft beperkt tot de passage waarin [appellante] geadviseerd wordt hulpverlening in te schakelen. De rechtbank is volgens deze grief ten onrechte voorbijgegaan aan de aaneenschakeling van fouten die door de raad zijn gemaakt bij de totstandkoming van het originele raadsrapport van 9 oktober 2012 alsmede het gerectificeerde rapport. [appellante] voert aan dat er fouten zijn gemaakt door teamleider [naam I teamleider ] , door raadsvertegenwoordiger [naam raadsvertegenwoordiger] , fouten met betrekking tot de
kwalificatievan de raadsonderzoeker, fouten door raadsonderzoeker [naam raadsonderzoeker] en fouten door gedragsdeskundige [naam gedragsdeskundige] . De
grieven 2 en 3voeren op verschillende gronden aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] en haar zoon [naam zoon] geen immateriële schade hebben geleden. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat van strijd met de artikelen 12 en 24 IVRK geen sprake is.