ECLI:NL:GHDHA:2018:2362
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank
Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van overbesteding en onvoldoende inzicht in de schuldontwikkeling, ondanks dat sinds 2017 geen nieuwe schulden meer waren ontstaan. Appellante voerde aan dat haar schuldenproblematiek was ontstaan na het verlies van haar baan in 2013 en dat zij sindsdien haar situatie heeft gestabiliseerd, mede door een dienstverband en samenwoning met een partner zonder schulden.
Het hof oordeelde dat appellante inmiddels voldoende controle heeft over haar financiële situatie en dat er een redelijke kans is op een vast dienstverband. Ook is zij bereid beschermingsbewind aan te vragen. Daarom acht het hof het beroep op de hardheidsclausule geslaagd en vernietigt het het vonnis van de rechtbank. De schuldsaneringsregeling wordt toegewezen en de zaak wordt terugverwezen voor uitvoering.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellante.